Geschiedenis van Sint-Amands

Brede rivier tussen grasdijken en riet.
Elsa Callum

Sint-Amands ligt op de rechteroever van de Schelde, in Klein-Brabant, provincie Antwerpen. Aan de overkant begint Oost-Vlaanderen. Sinds 2019 hoort het dorp bij Puurs-Sint-Amands. De fusie van 1977 had het al samengevoegd met Lippelo en Oppuurs. Vóór die eerste fusie telde het dorp iets meer dan 4400 inwoners, op 670 hectare. Dat cijfer is geen huidig inwonertal. Het zegt wel hoe klein de oppervlakte is voor een plaats met een eigen keure, een eigen kaai en een eigen spoorhalte.

Elnone, niet een preek op de dijk

De heilige Amandus was een missiebisschop uit de zevende eeuw. Hij stichtte de abdij van Elnone, het latere Saint-Amand-les-Eaux in het noorden van Frankrijk. De dorpsnaam komt via die abdij, niet via een bewezen preek op deze oever. In 822 bevestigt Lodewijk de Vrome de schenking van het Karolingische domein Baceroth, met Sint-Amands als kern, aan Elnone. In de elfde eeuw valt dat domein uiteen in Baasrode, Sint-Amands en Mariekerke. Het eigendom van de heerlijkheden Sint-Amands en Baasrode blijft tot de Franse Revolutie bij de abt.

De heren van Grimbergen dringen zich in de elfde eeuw op als voogden en blijven leenmannen van de abt. Vanaf de vijftiende eeuw stellen zij achterleenmannen aan. De inventaris van het bouwkundig erfgoed noemt, in volgorde, de Villains, de heren van Halewijn, Jan van Beieren, Karel van Mansfeld en Marie-Christine van Egmont, Maurits van Nassau, de heren van Bournonville, de hertog van Durfort-Duras, en als laatste Adriaan Angelus de Walckiers. Dat is een reeks heren, geen vaste club. Een lijst van “zeven nobele families” als zeven gelijke huizen van het dorp komt in die bron niet voor. Wie zo’n lijst zoekt, vindt hier de gedocumenteerde opvolging, niet een zevende naam die erbij verzonnen is.

De heren van Halewijn zijn in die reeks de vijftiende-eeuwse schakel. Hun huis is een Vlaams geslacht. Een negentiende-eeuwse genealogische bijdrage beschrijft hun schild als zilver met drie gekroonde zwarte leeuwen. Dat is een huisschild, geen dorpsschild dat elke inwoner zou erven. Het dorp heeft er geen eigen adellijk diploma aan overgehouden.

De keure van 1266

In de elfde eeuw komt een stuk van de rechteroever bij Rijks-Vlaanderen, en Sint-Amands manifesteert zich als een aparte heerlijkheid. De keure van 1266 legt het gewoonterecht vast: eigen schepenen, eigen recht, en vrijstelling van tollen en accijnzen. Die vrijheid houdt stand tot het einde van het ancien régime. Ze verklaart een deel van de nijverheid. In 1779 telde het dorp 38 herbergen, brouwerijen en stokerijen samen. Niet 38 brouwerijen. Het getal gaat over het hele drankbedrijf, en het past bij een plaats die geen accijns hoefde te betalen zoals de buren.

Een eerste spoor van de parochie staat in een oorkonde van 1281. Ze hing af van het bisdom Kamerijk, vanaf 1559 van Mechelen, vanaf omstreeks 1600 van Gent, en na 1801 opnieuw van Mechelen. Vanaf de vijftiende eeuw behoorde het beneficie aan het Sint-Jacobskapittel in Leuven. Doop, huwelijk en begrafenis bleven de akten die de pastoor bijhield.

Dijk, kouter, herbaan

Tegen de Schelde liggen de schorren, vanouds door dijken begrensd. Daarachter komen de kouters, het broekland, bos en heide. De oudste baan over het grondgebied is de herbaan, mogelijk op een Romeins tracé. Ze kwam van Dendermonde en liep via de Kuitegemstraat, de Valk, het Heiken en de Smissen naar Lippelo. De dorpskom zou zich vanaf de negende eeuw vormen langs de tak naar Bornem. Kaai en Kerkstraat komen pas in de vijftiende eeuw op. De kaai was lang de economische long: transit van Artesië, Henegouwen en Brabant, tot het kanaal Brussel-Willebroek omstreeks 1560 een deel van dat verkeer wegtrok. Beurtvaarten naar Brussel, Mechelen, Antwerpen, Dendermonde en Temse, en de visserij, hielden de oever in beweging tot kort vóór de Tweede Wereldoorlog.

Romeinse sporen in Klein-Brabant zijn dun: bossen en moerassen, de Civitas Nerviorum, en onder meer een bronzen medaille die in Sint-Amands is gevonden. Toponiemen als Kouter, Keten en Castrum worden met die periode in verband gebracht. Dat is geen Romeinse stad. Het is een dun bewoond land dat later ontgonnen werd.

De kapel ten Donkere

De kapel van Onze-Lieve-Vrouw ten Donkere staat in de Hekkestraat, aan de voet van de kouters, op de oude weg naar Dendermonde. De devotie, vooral tegen oogziekten, is ouder dan het gebouw. De huidige kapel dateert uit de eerste helft van de zeventiende eeuw, in laatgotische bak- en zandsteen, en is een van de oudste bewaarde gebouwen van het dorp. In 1722 kwam er een barokaltaar, naar ontwerp van de Antwerpse beeldhouwer Willem Ignatius Kerrickx, uitgevoerd met Hendrik de Smet, schrijnwerker uit Dendermonde. Het geklede Mariabeeld is zeventiende-eeuws. De kapel is sinds 1997 beschermd. Op de eerste zondag na 29 juni is er nog een paardenzegening. Twee linden horen bij het monument.

Tongval, kermis, maanden

Het dialect van Sint-Amands is Klein-Brabants: Brabants met een sterke Vlaamse trek, in een streek zonder stad. Johan Winkler publiceerde in 1873 een proef van de verloren zoon, aangeleverd door Jan van Droogenbroeck. Daarin wordt de heldere aa een ou, zoals in vader dat als vouder klinkt, en zout dat als zaat klinkt. De ui voor een r gaat naar een ö, vuist naar vöst. Dat zijn gehoorde voorbeelden uit die opname, geen volledige spraakkunst.

Een lijst van de maanden van het jaar in dit ene dorpsdialect staat in die proef niet. Die verzin ik hier niet. In de parochieregisters zijn de maanden meestal Latijn, en de afkortingen 7ber tot 10ber zijn een bekende val. Die uitleg hoort bij het lezen van akten, in de gids voor genealogie in België.

Het dorp houdt een paaskermis en een septemberkermis. Het weekend verschuift per jaar. De gemeente zet de datum op haar kalender. Een vaste middeleeuwse kermisdag is uit de bronnen hierboven niet af te leiden, en de feestdag van Amandus, 6 februari, is geen zomerkermis.

School, armenzorg, begijnen, zwartzusters

Een schoolgeschiedenis met stichtingsdatum en directeurslijst laat zich uit de erfgoedinventaris niet trekken. Wat wel vaststaat: de organieke wet op het lager onderwijs van 1842 zette gemeenten en parochies aan het organiseren, en minstens één Sint-Amandsenaar liep die weg helemaal uit. Jan van Droogenbroeck haalde in 1854 zijn onderwijzersdiploma in Lier en schreef later schoolboeken. Zijn leven als dichter, onder de naam Jan Ferguut, staat bij de bekende inwoners.

De armentafel was in de parochies van de Zuidelijke Nederlanden het bestuur dat armenzorg deed met grondrenten, collectes en uitdelingen. De parochie van Sint-Amands is sinds 1281 gedocumenteerd, dus die zorg liep via de kerk. Of de rekeningen bewaard zijn, en onder welk nummer, is een vraag voor het rijksarchief of de parochie. Een nummer verzinnen zou alleen maar iemand naar het verkeerde vak sturen.

De Sint-Vincentiusvereniging is iets anders: een lekenconferentie voor de armen, ontstaan in 1833 in Parijs rond Frédéric Ozanam, en daarna ook in Belgische parochies. Een “conferentie van Sint-Vincentius” in een kasboek is die vereniging. Ik heb geen stichtingsjaar voor een conferentie in dit dorp, en geef er dus geen. Zulke lijsten noemen mensen die steun kregen. Dat zijn geen namen om over te typen.

Een begijnhof staat niet in de beschrijving van Sint-Amands. Sint-Amandsberg bij Gent is een andere plaats, met een groot begijnhof. Begijnen waren lekenvrouwen, geen slotzusters. Een “begijntje” in een familieverhaal van de Schelde is niet automatisch een inwoonster van dat Gentse hof.

De zwartzusters, reguliere kanunnikessen van Augustinus, verpleegden zieken en pestlijders in stedelijke huizen. Dendermonde en Mechelen hadden zo’n huis. De inventaris van Sint-Amands beschrijft geen klooster van zwartzusters in het dorp. Een meisje uit het dorp kon intreden in de stad. “Dorpsgenoten” slaat dan op herkomst, niet op een convent aan de dijk.

Veer, station, en wat ernaast ligt

Het veerpont naar Kastel, op het grondgebied van Moerzeke, dateert van 1868. Dat is de oversteek van dit dorp. De veerdienst Rupelmonde-Wintam is een andere Scheldeovergang, verder noordwaarts, en geen boot die in Sint-Amands aanlegt. Op de Ferrariskaart zie je die logica al een eeuw eerder: zonder brug is het veer de weg.

De spoorlijn van Dendermonde naar Puurs, deel van lijn 52 naar Antwerpen-Zuid, werd in gebruik genomen in 1880. Het stationsgebouw van Sint-Amands dateert volgens de erfgoedinventaris van 1881. Het gewone reizigersverkeer op dit baanvak stopte rond 1980. Sinds het midden van de jaren tachtig rijdt er een toeristische stoomtrein. Het station Dendermonde blijft het knooppunt aan de andere oever, waar de lijn op de grote lijnen aansloot. Leer, brouwerijen en de schoenfabriek komen apart aan bod, bij de oude ambachten. De twee wereldoorlogen horen bij hetzelfde dorp, maar ze vragen een eigen tekst, met de bezetting en de oud-strijders, niet een alinea achter de keure.