Twee dichters uit Sint-Amands

Oude gebonden boeken op een plank, waaronder een bundel met living verse.
Elsa Callum

Twee dichters uit Sint-Amands hebben een straat, en één van hen ook een graf aan de Schelde. Emile Verhaeren schreef in het Frans. Jan van Droogenbroeck schreef in het Nederlands en publiceerde een deel van zijn werk als Jan Ferguut. Ze zijn geen parochiefeit in de marge. Ze zijn de reden dat dit dorp in literatuurgeschiedenissen staat, naast de dijk en de kouter.

Emile Verhaeren

Emile Verhaeren werd op 21 mei 1855 in Sint-Amands geboren en stierf op 27 november 1916 in Rouen, na een val onder een trein. Hij schreef in het Frans, over Vlaanderen, over kloosters en velden, en later over de industriestad. Bundels als Les Flamandes en het latere werk over de tentakels van de stad maakten hem tot een van de bekendste Franstalige dichters van België. Het dorp waar hij vandaan kwam, bleef in die verzen aanwezig als land, niet als een adressenlijst.

Zijn graf ligt aan de Schelde, op de oever in Sint-Amands. Het ouderlijk huis, in wat nu de Emile Verhaerenstraat is, was oorspronkelijk een dorpshuis van één bouwlaag uit de eerste helft van de negentiende eeuw. Rond 1890 werd het verbouwd tot een eclectisch burgerhuis, samen met het pand op de hoek van de Jan Van Droogenbroeckstraat. In dat complex kwam later onder meer het Emile Verhaerenmuseum. Wie het geboortehuis zoekt als een onaangeroerd huis van 1855, zoekt een gevel die er niet meer staat. Openingsuren horen op de site van het museum, niet in een artikel dat ze toch niet bijhoudt.

Het graf en het museum zijn publieke herinnering. Ze maken van de dichter geen gids voor de huizen ernaast, en ze maken van elke Franstalige akte in het dorp ook geen spoor van zijn familie. De akten van Sint-Amands bleven lang in het Frans omdat de administratie dat was, niet omdat het hele dorp zijn boeken las.

Verhaeren is geen gids voor de parochieregisters. Hij is wel een ijkpunt voor de negentiende eeuw van het dorp: een Franstalige literatuur die uit een Klein-Brabants gezin kwam, in een gemeente waar de akten vaak nog in het Frans werden opgesteld terwijl de straat een ander Nederlands sprak. Die tongval, opgetekend in 1873, hoort bij de geschiedenis van Sint-Amands, niet bij zijn verzen.

Jan van Droogenbroeck

Jan Amandus van Droogenbroeck werd in januari 1835 in Sint-Amands geboren. De dag verschilt in de naslagwerken: 17 of 18 januari. De maand en het jaar liggen vast. De exacte dag noem ik daarom niet. Hij stierf op 27 mei 1902 in Schaarbeek. In het dorp kreeg de vroegere Botermelkstraat zijn naam.

Hij haalde op 31 maart 1854 zijn onderwijzersdiploma aan de rijksnormaalschool van Lier, waar hij les kreeg van Jan van Beers. Daarna was hij onderwijzer, muziekleraar in Sint-Joost-ten-Node en Schaarbeek, en vanaf 1877 ambtenaar bij het bestuur van letteren en wetenschappen. Hij eindigde als directeur bij het ministerie van openbaar onderwijs. De poëzie liep daar doorheen, niet ernaast als hobby. Tijdgenoten hoorden in zijn verzen taalvuurwerk. Later werd hij weinig herlezen. Dat lot deelt hij met veel dichters die geen standbeeld aan een rivier kregen.

In april 1873 leverde hij aan Johan Winkler de dialectproef van de verloren zoon die in het Dialecticon onder Sint-Amands staat. De dichter is dus ook de zegsman van de enige uitvoerige negentiende-eeuwse opname van de dorpstaal. Wie die proef leest, hoort geen gedicht. Het is een bijbelpassage, overgeschreven in de tongval, met zijn naam eronder. De klankverschuivingen horen bij de dorpsgeschiedenis. Hier telt alleen dat de man die ze doorgaf dezelfde is als Jan Ferguut.

Onder het pseudoniem Jan Ferguut publiceerde hij in 1866 Makamen en ghazelen, proeven van oosterse poëzie. In 1873 verscheen Dit zijn zonnestralen, gedichten voor de Vlaamse jeugd. Hij maakte ook een Nederlands rijmwoordenboek en schreef over versmaten. Het pseudoniem is de sleutel voor wie “Ferguut” en Sint-Amands in één zoekopdracht zet.

Ferguut is twee dingen

De middeleeuwse Ferguut is een Middelnederlandse roman uit de dertiende eeuw, een bewerking van de Oudfranse Fergus. Dat boek heeft Van Droogenbroeck niet geschreven. Hij leende de naam. Wie de roman zoekt, zit in de mediëvistiek. Wie de dichter uit Sint-Amands zoekt, zit bij Jan Ferguut, negentiende eeuw, en bij de straat die naar de man genoemd is, niet naar de roman.

De verwarring is begrijpelijk. Het pseudoniem staat op titelbladen, de burgerlijke naam in de akten en op de straatnaambord. In een stamboom hoort de officiële naam. In een bibliotheekcatalogus vind je hem onder beide. Een gedicht ondertekenen met Ferguut maakt van de familie geen personage uit die roman, en het geeft hun ook geen wapen.

Wat “bekend” hier niet betekent

Een dorp heeft meer mensen gehad dan twee dichters. Notarissen, pastoors, winkelhouders en schippers hielden het draaiende. Hun namen horen in akten en in kadasters, niet in een galerij waarin elke familienaam een standbeeld krijgt. Dit stuk blijft bij wie een openbaar literair oeuvre en een publiek monument heeft.

Ook de spelling zoekt hen uit elkaar. Op de Franse titelbladen staat Émile Verhaeren. In Nederlandse zoekopdrachten duiken Emile, Emiel en soms Emiel Verhaeren op. Het is één dichter. Jan van Droogenbroeck staat in catalogi ook aan elkaar, als Vandroogenbroeck, of met Van als apart woord. In een akte zoek je de vorm van de klerk. In een bibliotheek zoek je beide. Een treffer op de verkeerde spelling is geen tweede persoon.

Verhaeren en Van Droogenbroeck laten zich naast elkaar leggen zonder hen tot één school te persen. De ene schreef Frans en kreeg een graf aan de rivier. De andere schreef Nederlands, gaf les, werd ambtenaar en verdween verder uit de bloemlezingen. Beiden kwamen uit hetzelfde dorp, met twintig jaar verschil, en beiden vertrokken. Het graf en de straatnamen zijn publiek geheugen. De huizen errond blijven een dorpskom, met achttiende- en negentiende-eeuwse gevels die de erfgoedinventaris huis per huis beschrijft. Het dorp dat ze achterlieten, met zijn keure, zijn kaai en zijn molens, is ouder dan hun roem.