De Ferrariskaart is de kabinetskaart van de Oostenrijkse Nederlanden, opgenomen tussen 1771 en 1778 onder leiding van de artillerieofficier Joseph de Ferraris. Het is geen atlas om een familienaam in op te zoeken. Het is een beeld van het landschap net vóór de Franse tijd: dorpen, dijken, kerken, molens, veren en de grote vlakken akker, bos en heide. Wie een hoeve zoekt, kijkt eerst waar het dorp op die kaart ligt, en pas daarna in de registers.
Kabinetskaart en atlas
Ferraris, graaf in Oostenrijkse dienst, liet het land opmeten in grote bladen, samen de Carte de Cabinet of kabinetskaart genoemd. De schaal is 1 op 11.520. Eén centimeter op het blad is dus ongeveer 115 meter op het terrein. Er zijn zo’n 275 bladen. Van de reeks werden drie handschriftelijke exemplaren gemaakt. Onderzoekers werken vandaag met het exemplaar in de Koninklijke Bibliotheek van België en met het exemplaar in Wenen.
Daarnaast bestaat een verkleinde, gegraveerde kaart die als atlas verkocht werd, de zogenaamde carte marchande, op een veel grovere schaal rond 1 op 86.400. Wie “atlas Ferraris” zoekt, krijgt vaak die handelsuitgave. Ze toont de grote lijnen. De kabinetsbladen tonen het dorp. Voor een huis, een molen of een veer neem je het blad, niet de atlaspagina.
De legende
De légende van de kaart is Frans, omdat de opmeting in die taal werd geadministreerd. De tekens zijn consequent, ook al verschilt de tekenhand per blad.
- Église en chapelle: kerk en kapel. De kerk staat bijna altijd in de dorpskern, de kapel vaak aan een uitvalsweg.
- Moulin à vent en moulin à eau: windmolen en watermolen. Een molen op de kaart is een bedrijf, geen symbool.
- Bac: een veer. Aan een rivier zonder brug is dat de oversteek, niet een bijzaak.
- Bois, bruyère, marais: bos, heide, moeras. Terre labourée is akker, prairie is grasland, verger een boomgaard.
- Haie: haag. Chaussée: een steenweg, te onderscheiden van een gewone weg.
Kleuren scheiden de vlakken. Bebouwing, tuinen, akkers, weiden, bos en water lees je eerst in kleur, daarna in het teken. Een legende die je alleen in het Frans napluist en niet op het blad zelf, helpt weinig. Elk blad heeft zijn eigen hoek: de noordpijl ligt niet altijd netjes boven. Draai het blad tot de Schelde klopt met wat je kent, en dan pas de huizen. Straatnamen staan er bijna niet op. Een moderne kaart leg je ernaast op de rivierbocht, niet op een straat die in 1775 nog geen bord had.
De schaal laat zich narekenen. Twee centimeter op een kabinetsblad is ongeveer 230 meter op de grond. Een dorpskom die op het blad een duimbreed is, is dus geen stad. Op de verkleinde handelsatlas wordt diezelfde kom een vlek, en verdwijnen molen en veer. Wie teleurgesteld is in een “atlas Ferraris” uit een prentenboek, kijkt bijna altijd naar die verkleining.
Wat je er wel en niet uithaalt
Je ziet de kern van een dorp, de kerk, de rij huizen langs de dijk of de dorpsstraat, de uitwaaierende wegen, de molens en de veren. Je ziet of een stuk land akker was of schor, en of er een dreef naartoe liep. Je ziet niet wie er woonde. Er staan vrijwel geen familienamen op. Een huisblok is geen kadastraal perceel. De opmeters schetsten de bebouwing. Ze maten niet elk tuintje tot op de meter, ook al is de schaal daar fijn genoeg voor om die indruk te wekken.
Een huis dat op de kaart ontbreekt, kan later gebouwd zijn. Het kan ook te klein geweest zijn, of opgeslorpt in een rij die de tekenaar als één volume zette. Een huis dat er wel staat en in 1840 weg is, is gesloopt, verbrand of verkeerd gelokaliseerd. De kaart is een moment, ruwweg de jaren 1770, geen film.
Het volgende nauwkeurige beeld van percelen is het primitief kadaster uit de eerste helft van de negentiende eeuw, later aangevuld met de Popp-kaarten. Wie een perceelnummer zoekt voor een erfenis of een hypotheek, is bij Ferraris te vroeg. Wie wil weten of de hoeve aan de dijk lag of op de kouter, is er juist.
Sint-Amands op het blad
Sint-Amands ligt op de rechteroever van de Schelde, in Klein-Brabant. Op het blad van die bocht zie je het dorp tegen de rivier, de dijk, de kouters erachter en de weg naar Dendermonde. Die weg is oud. De kapel van Onze-Lieve-Vrouw ten Donkere staat aan wat de bronnen de weg naar Dendermonde noemen. Of elk huis op het blad vandaag nog een adres heeft, is een andere vraag. De kaart legt de structuur vast, niet de latere straatnamen.
De Schelde is op die bladen de grens die het leven organiseerde. Bruggen zijn schaars. Een bac, een veer, is de manier om in Baasrode, Moerzeke of verderop te komen. Molens staan waar de kouter open is, niet in de natte schorren. Die twee tekens, veer en molen, zijn meteen de brug naar de oude ambachten van het dorp: maalderij, overzet, herberg. Hoe het dorp zelf gegroeid is, van de schenking van 822 tot de fusies, staat in de geschiedenis van Sint-Amands.
Ferraris naast een stamboom
Gebruik de kaart vóór je een achttiende-eeuws register openslaat, niet erna als illustratie. Als de familie op de kouter zit, zoek je peters en getuigen in dat gehucht, niet alleen in de dorpskom. Als ze aan de kaai zitten, verwacht je beroepen die met lossen, vissen en herbergen te maken hebben. De kaart vervangt de akte niet. Ze zegt welk register de moeite is.
Voor de periode na 1796 laat je Ferraris los. De burgerlijke stand en het kadaster zijn dan scherper. De werkwijze, van trouwboekje naar akte en van akte naar kanton, staat in de gids voor genealogie in België. Ferraris is de laag daaronder: het land zoals de Oostenrijkse artillerie het opmat, met een Franse legende en zonder een enkele familienaam.


