Oude ambachten in Sint-Amands

Stenen windmolen met houten wieken aan de rand van een veld.
Elsa Callum

Tot ver in de negentiende eeuw was Sint-Amands een landbouwdorp met een onevenredig drukke kaai. De Schelde bracht vracht. De vrijstelling van tollen en accijnzen, vastgelegd in de keure van 1266, maakte drank en doorvoer lonend. In 1779 telde het dorp 38 herbergen, brouwerijen en stokerijen samen. Dat getal is geen lijst van 38 brouwerijen. Het is het hele bedrijf van schenken, brouwen en stoken. Geen van die brouwerijen draait nog, volgens de erfgoedinventaris van 1995. De gebouwen en de beroepen zijn er wel geweest.

Kaai, vis en veer

Vóór het kanaal Brussel-Willebroek, omstreeks 1560, liep de transit van Artesië, Henegouwen en Brabant over de Schelde, en de kaai van Sint-Amands leefde van laden en lossen. Daarna bleven de beurtvaarten naar Brussel, Mechelen, Antwerpen, Dendermonde en Temse, en bleef de visserij. Die hield stand tot kort vóór de Tweede Wereldoorlog. Het is een beroep aan een getijrivier: seizoen, vissoort, en een boot die de dijk niet mist. Geen romantiek van eeuwige schippersfamilies, wel een activiteit die in de tellingen van het dorp terugkomt.

Het veerpont naar Kastel, op Moerzeeks grondgebied, dateert van 1868. Zonder brug was dat de weg naar de andere provincie. Op de achttiende-eeuwse kaart heet zo’n oversteek een bac. De veerdienst Rupelmonde-Wintam is een andere overgang, noordelijker op de Schelde, en legt niet in Sint-Amands aan. Uurroosters van vandaag horen bij de exploitant. Hier telt het onderscheid: het dorpsveer van 1868 is niet de boot van Rupelmonde.

Leer en schoenen

De leerlooierij N.V. Tannerie et Corroierie de Saint-Amands-lez-Puers werd opgericht in 1896 en geliquideerd in 1959. Ze stond, met de chemische fabriek op de kouter, bij de weinige bedrijven van enige omvang. De kouterfabriek, de Société Anonyme pour favoriser l’industrie agricole, begon in 1885 en ging in 1965 failliet. Meststoffen, geen leer. De twee worden wel eens door elkaar gehaald omdat ze allebei op de kouters zaten.

De looierij leefde volgens de inventaris voort in enkele schoen- en pantoffelfabrieken. Guma was in de twintigste eeuw zo’n schoenfabriek, gevestigd in de Buisstraat, en een van de grotere werkgevers van het dorp. Een precies oprichtingsjaar dat in de gebruikte bronnen ontbreekt, vul ik niet in. Het gebouw kreeg later een andere bestemming. Wie er vandaag een winkel in uitbaat, hoort niet in een stuk over de fabriek van toen. Het huisnummer laat ik eveneens weg: de bronnen spreken elkaar tegen, en een fout nummer is erger dan een straat.

Brouwerijen, en de gebroeders Maes

De brouwerijen van Sint-Amands zelf waren talrijk en klein, en ze zijn verdwenen. De naam Maes hoort daar niet automatisch bij. De stoombrouwerij van de gebroeders Maes is het huis uit Waarloos. Egied Maes zette in 1880 de brouwerij Sint-Michiel daar voort. In 1901 gaven zijn zonen Ferdinand en Theophiel het bedrijf de naam Stoombrouwerij Mouterij Sint-Michiel Gebroeders Maes. Dat is Waarloos, niet de kaai van Sint-Amands.

Er is wel een raakpunt in de Eerste Wereldoorlog. Frans Maes was toen gerstcommissaris voor een kanton dat onder meer Puurs, Mariekerke, Oppuurs, Ruisbroek en Sint-Amands omvatte, met in totaal 28 brouwerijen. Hij verdeelde gerst. Hij brouwde niet in het dorp. In Puurs, Palingstraat, bestond daarnaast een brouwerij Maes die later brouwerij Het Hof van de familie Peeters werd. Drie namen, drie plaatsen. Alleen de middelste zin, de gerst voor 28 brouwerijen, raakt Sint-Amands rechtstreeks.

Molens

Het dorp had verscheidene molens. De Koutermolen groeide uit tot de maalderij N.V. Scheldemolens, in de Emile Verhaerenstraat, op een oudere vestiging. Een volledige lijst met bouwjaren en verdwijningsdata geef ik niet, omdat die lijst uit de inventaris niet volledig te trekken is. Een molen op de Ferrariskaart is in elk geval een windmolen of een watermolen in het landschap van de jaren 1770, niet automatisch de latere Scheldemolens.

Daarnaast waren er olieslagerijen, waarvan de inventaris zegt dat er geen spoor meer is, en de huisnijverheid van vlas en mandenmakerij. Van het vlas bleven magazijnen. Van de manden een groothandel in rotan. De melkerij aan de Kuitegemstraat maakte plaats voor een latere zuivelfabriek. Dat zijn opvolgers in een gebouw, geen bewijs dat het oude beroep ongewijzigd doorging.

Beroepen in bijberoep

Op de akten staat zelden “molenaar” alleen. Een man is landbouwer en maalt in het seizoen, of schipper en herbergier, of dagloner en mandenvlechter in de winter. De burgerlijke stand kiest één woord, meestal het woord dat de aangever opgeeft. “Herbergier” kan de kamer aan de straat zijn waar geschonken werd, niet een afzonderlijk ambacht naast de hoeve. In een dorp met 670 hectare en een kaai is het bijberoep de regel, niet de uitzondering.

Een bruikbare lijst ontstaat door tien jaar huwelijksakten te turven, niet door één fabrieksnaam te vereeuwigen. Vlas en mandenmakerij duiken daar op naast landbouwer en dagloner, lang voor de looierij van 1896 een loonstaat had. Het kanaal van omstreeks 1560 haalde de grote transit weg. De fabrieken van de late negentiende eeuw, leer en meststoffen, zijn een ander hoofdstuk dan de herberg van 1779. Ze horen in dezelfde gemeente, niet in dezelfde generatie.

De herbergen horen in die telling. Achtendertig drankhuizen, brouwerijen en stokerijen in 1779 wil zeggen dat schenken bij het dorp hoorde, door de accijnsvrijheid en door de kaai. Het wil niet zeggen dat elke herberg een naam heeft die vandaag nog te traceren is, of dat een uithangbord van toen een adres van nu is. De dorpsgeschiedenis rond keure, dijk en spoor staat in de geschiedenis van Sint-Amands. De ambachten zijn de manier waarop die vrijheid op een doordeweekse dag klonk: een maalderij, een looierij, een veer, en veel kleine brouwsels.