Zwarte september 1944 te Sint-Amands

(Stanny Van Grasdorff)  

 

 

Met dit artikel wil ik geen monumenten bouwen noch afbreken. Ik wil een teer stuk uit de Sint-Amandse geschiedenis reconstrueren en vooral bijdragen tot een genuanceerde kijk op de "zwarte september" uit het jaar 1944, want wit was niet altijd wit en zwart was soms wel eens grijs. Het was ook een periode van onrecht.

Verdachten en/of hun familieleden zijn zonder vorm van proces van hun bezittingen beroofd, mishandeld en in enkele tientallen gevallen ook gedood.Dat heeft zich een eerste maal voorgedaan in de maanden september (zwarte september 1944) en oktober van 1944. Een tweede golf overspoelde het land in de maand mei van 1945.

 

Bij elke oorlog en bij elk conflict is er sprake van daders, slachtoffers en omstanders. Een strenge afbakening van die rollen is niet altijd mogelijk. Soms lopen ze door elkaar. Uiteraard geldt dit ook voor de Tweede Wereldoorlog.

 

Net als elders moesten nadien in Belgie en ook in Sint-Amands, daders, slachtoffers en omstanders verder met elkaar  met hun erfenis van de oorlog. In de ‘bevrijdingsmotie’ van 4 september 1944 stond dat de berechting van de collaborateurs volledig, snel en onverbiddelijk moest gebeuren.

In kleine dorpsgemeenschappen zoals onze gemeente, was dat vaak nog het lastigst, omdat mensen daar meestal heel direct op elkaar waren aangewezen. Maar ook op andere plaatsen in Belgie bleek het moeilijk om te vergeten en te vergeven. Mensen die "fout" waren geweest in de oorlog, en ook hun kinderen, werden door velen gemeden, niet alleen door slachtoffers, ook door omstanders.

Dat leverde veel spanningen op, tussen mensen onderling, maar ook in de samenleving in bredere zin.
Die erfenis van de oorlog is nog steeds niet helemaal verdwenen.

Ook Sint-Amands deelde in de klappen want ook hier waren verschillende Duitsgezinden. Was men hier bekend als Duitsgezind, dan was men "ne zwarten". De anderen, niet-Duitsgezind, waren "de witten". In de volksmond zou het verzet veelal als de "Witte Brigade" aangeduid worden, als tegenhanger van de collaborerende "Zwarte Brigade".

 

 

 

De Straffen :

De krijgsraad van Mechelen was milder in het uitspreken van straffen dan het gerecht in Brussel en Antwerpen.Diegenen die einde 1944 en begin 1945 werden gestraft, kregen de zwaarste straf. Daarna werd alles een beetje menselijker. Waar men in de beginperiode gestraft werd voor deelname aan het werkverbond (VAVV = Vrijwillige Arbeidsdienst Voor Vlaanderen) met minstens 20 jaar opsluiting, kreeg men in 1946 voor dezelfde feiten maar 5 jaar.

Bij de beoordeling van de dossiers was er een duidelijk verschil tussen de krijgsraden (eerste aanleg) en het krijgshof (beroep).

 

Het krijgshof was doorgaans minder streng dan de krijgsraden en aanvaardde dikwijls verzachtende omstandigheden.

Soms lag de uiteindelijke beslissing bij het krijgshof. Die procedure trad in werking als de beklaagde of de krijgsauditeur beroep aantekenden tegen het vonnis van de krijgsraad.

Tijdens het bewind van de regeringen van nationale eenheid (september 1944-augustus 1945) wordt het gekenmerkt door improvisatie en verwarring, maar de straffen zijn zeer streng. In 90% van de gevallen wordt een criminele straf (dit is een vrijheidsberoving van minstens vijf jaar) uitgesproken.

Nadien daalt de strafmaat en vanaf eind 1946 worden correcties (vervroegde vrijlatingen, eerherstel, genade, strafvermindering...) doorgevoerd voor wie vroeg voor zijn rechters is gekomen en het zwaarst getroffen is. Dit heeft vooral in het nadeel van de kleine collaborateurs gespeeld en in Vlaamsgezinde en katholieke kringen het beeld doen ontstaan van een anti-Vlaamse, onrechtvaardige, en onmenselijke Belgische rechtspleging.

 

 

 

 

Uitvoering der straffen :

Gevangenen van gemeen recht en incivieken werden gescheiden.Dan verdeelde men de collaborateurs zelf over ‘gespecialiseerde’ instellingen : Breendonk voor de verklikkers, Beverlo (en in mindere mate Merksplas) voor de Waffen-SS'ers en andere wapendragers, Hoei en Merksplas voor de economische collaborateurs, St.-Gillis voor de kopstukken van de collaboratie.

Voor de vrouwen waren er aparte centra in Vilvoorde en Dinant, later ook in Brugge.

Wie jonger was dan 25 jaar en slechts licht gestraft kwam in Hoogstraten of Marneffe terecht. In Merksplas was er ook een afdeling voor bejaarde en teringzieke collaborateurs.

 

 

 

 

Vrijwillige arbeid in Duitsland :

Er werd geen rekening gehouden met de 58.784 dossiers die betrekking hadden op de vrijwillige arbeid in Duitsland.

Al vroeger had de regering de parketten gevraagd om wie vrijwillig naar Duitsland was gaan werken niet verder lastig te vallen.

Auditeur-generaal Ganshof heeft die vraag in een circulaire van 22 maart 1945 aan de auditeurs doorgespeeld.

Uiteindelijk zijn op basis van art. 115 slechts 9 vrijwillige arbeiders naar de krijgsraad verwezen. (nota J. Gilissen, 1951, p. 540).

Tussen de eerste uitspraak van een krijgsraad (29 september 1944, gekend als "zwarte september") en de laatste vonnissen liggen op zijn minst tien jaren.Maar eigenlijk is het fout de levensloop van deze kant van de repressie zo te bekijken. Beter is het in de berechting van de collaborateurs drie periodes van ongelijke lengte en betekenis te onderscheiden.

 

In een eerste fase, die tot september 1945 duurt, komt de activiteit van de militaire rechtbanken slechts traag op gang. Dan neemt het tempo gevoelig toe en in het voorjaar van 1946 bereiken de krijgsraden en -hoven hun hoogste snelheid. Zij houden dat topritme aan tot in de zomermaanden van 1947. Op dat moment breekt een derde bedrijf aan : de langzame afwikkeling van de overblijvende dossiers.

(nota : Luc Huyse en Steven Dhondt, Onverwerkt verleden. Collaboratie en repressie in Belgie 1942-1952).

De Belgische ‘Vrijwillige Arbeidsdienst’ ontstond op 30 november 1940. Dit gebeurde hoofdzakelijk onder impuls van Carl Verwilghen. Deze christen-democratische ambtenaar kon reeds buigen op een knappe carrière. In 1934 werd hij benoemd tot secretaris-generaal bij het Ministerie van Arbeid en Tewerkstelling. Verwilghen was goed ingewerkt in deze materie. Tot 1941 doceerde hij namelijk ‘Sociale Wetgeving’ aan de Katholieke Universiteit Leuven.

In 1940 werd Verwilghen door het Duitse militaire bestuur benoemd tot ‘commissaris-generaal voor de Wederopbouw’. In die functie sloot hij in juli 1940 een akkoord af met von Craushaar, de op één na belangrijkste militair bij de Duitse administratie te Brussel.

Door dit akkoord konden Belgische arbeiders vrijwillig worden tewerkgesteld in Duitsland, op voorwaarde dat ze niet gingen werken in de oorlogsindustrie.

 

Deze overeenkomst lokte heel wat protest uit van de andere Belgische secretarissen-generaal.In oktober 1943 verscheen er een Wet die studenten verplichtten eerst 6 maanden arbeidsdienst of in een fabriek te werken alvorens ze hun studies verder mogen zetten. Na 6 maanden VAVV werd men ook vrijgesteld van werkverplichting in Duitsland.

Als reactie op de invoering van de verplichte arbeid in België nam Verwilghen echter op 20 maart 1942 ontslag uit al zijn functies. Het is Custers die zijn baas opvolgt tot het einde van de bezetting.

De vrouwelijke jeugd van de VAVV werkte in grote en behoeftige gezinnen, bij bejaarde lieden en in landbouwgezinnen waar vrouwelijke arbeid zou ontbreken.
 

De Vlaamse afdeling van de ‘Vrijwillige Arbeidsdienst’ stond eind 1940 onder leiding van ingenieur Renaat van Thillo, voormalig directielid bij de firma Gevaert te Mortsel. Opmerkelijk in dit verband is dat Van Thillo het manifest van de Eenheidsbeweging van het VNV ondertekende in functie van voorzitter van de ‘Vlaamse Voetbalbond’.

Hij haalde zijn kader  of  medewerkers meestal uit oud-Verdinaso's en leden van de Luitenant De Winde-Kring.Van Thillo vluchtte in 1944 naar Duitsland en van daar naar Argentinie ergens in 1947.Hij werd bij verstek ter dood veroordeeld.

Bij haar werking spiegelde de ‘Vrijwillige Arbeidsdienst voor Vlaanderen’ (VAVV) zich volledig aan haar Duitse tegenhanger, de Reichsarbeitsdienst die in september 1944 de VAVV overnam.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bronnen :

STANNY VAN GRASDORFF, CEGESOMA, Studiecentrum voor Oorlogsdocumentatie, Brussel. Vanaf 01 januari 2016 is de benaming nu “Studiecentrum Oorlog en Maatschappij” en mijn studie aan de Univ Antwerpen.

VERDUYN, Signaal, pagina 356.

LAURENS DE STRIJCKER,, NS-Liederen in België 1940-1944.

PELEMAN Bert. (1943). “Zingend ten aanval!” door Banleider Bert Peleman. In “De Nationaalsocialist”, Orgaan van het Vlaamsch Nationaal Verbond, II, p. 4.5 (Bert Peleman werd geboren in Klein-Brabant, Puurs op 13.04.1915 + Antwerpen 05.08.1995. De naoorlogse jaren (repressie) bracht hij door in de Hoofdgevangenis in Sint-Gillis-Brussel, waar hij tijdens de repressie zijn doodstraf afwachtte. Werd niet terechtgesteld omdat zijn gratieverzoek gesteund werd door verschillende letterkundigen o.a. Stijn Streuvels, Herman Teirlinck, Gerard Walschap, en anderen. In April 1948 werd zijn straf omgezet van doodstraf in levenslange gevangenis en op 3 november 1950 strafvermindering tot zestien jaar celstraf .Tenslotte op kerstavond 1950 in vrijheid gesteld.

 

 

 

 

 

Straatrepressie :

Naast de repressie die door de overheid werd georganiseerd was er ook de zogenaamde straatrepressie.

Hiermee worden de diverse wraakacties van de bevolking jegens echte en vermeende collaborateurs bedoeld.De straatrepressie woedde in twee golven: een eerste golf net na de bevrijding en een tweede golf na de terugkeer van de krijgsgevangenen en politieke gevangenen uit Duitsland.

Deze repressiegolven ontstond spontaan of werd vaak oogluikend toegelaten en soms georganiseerd door bepaalde verzetsgroeperingen zoals De Witte Brigade.

Tijdens de straatrepressie werden collaborateurs, op een vaak brutale en straffeloze wijze behandeld : echte en vermeende incivieken of zwarten werden opgesloten zonder vorm van proces in talrijke interneringskampen die vaak door het verzet opgezet waren.

In sommige gevallen werden ook onschuldige familieleden van collaborateurs geviseerd. Deze praktijken gingen gepaard met plunderingen en vernielingen van de eigendommen van de collaborateurs.

Ook het besmeuren en verven van woningen met een hakenkruis was een voorkomend feit, o.a.de drie woningen die eigendom waren van de directeur van het Kouterfabriek. Pas in 1982 kwam er een een amnestie-regeling waardoor men onder deze maatregelen uit kon komen. Men moest dan het zwarte verleden volledig afzweren, eerherstel aanvragen en een democratische gezindheid aan kunnen tonen.

Verschillende vormen van collaboratie worden aangemerkt, waarbij sommigen als ernstiger dan anderen werden beschouwd.

 

 

 

 

 

Soorten collaboratie :

Zo kenden we de economische collaboratie, de administratieve collaboratie, de politieke collaboratie en de culturele collaboratie.

De lijn van een passieve opstelling was uitermate vaag, en soms was het ook erg moeilijk om niet te collaboreren. Dwang werd vaak toegepast, en soms betekende het alternatief ontslag of gevangenisstraf. Belangrijk om te weten is dat er geen strafrechtelijke veroordeling nodig was om de Belgische nationaliteit te verliezen. Door het enkele feit van indiensttreding bij een vreemde krijgs- of staatsdienst was men automatisch de Belgische kwijt. Men kreeg vanuit Belgisch perspectief echter niet automatisch de Duitse nationaliteit door dienstname bij de Duitsers.

 

Het gevolg was dus staatloosheid. De Duitse nazi-overheid had evenwel bepaald dat Belgen, die in Duitse krijgsdienst traden, krachtens het Hitler-Erlass van mei 1943 automatisch de Duitse nationaliteit verkregen. Dat is dan ook de reden waarom Duitsland geen personen aan Belgie uitlevert die het als zijn eigen onderdanen beschouwt. Tegen een dergelijke uitlevering verzet zich ook de Duitse Grondwet.

 

Een besluitwet van 19 september 1945 had bepaald dat iedereen die lid was van een verboden organisatie zoals VNV, REX of  de DE VLAG op de lijst van collaborateurs werd gezet en hierdoor een deel van zijn burgerrechten kwijtraakten.

 

Collaboratie was er in alle verenigingen zoals bv. het VAVV (Vrijwillige Arbeidsdienst Voor Vlaanderen) waar tussen 1941 en 1944 ook te Bornem één der werkkampen werd opgericht voor mannen.Ze hadden als taak de waterwegen in Klein-Brabant te onderhouden. Het werkkamp lag in de Brandheide, een gebied tussen Bornem en Luipegem-Branst.

 

Bron, Emile Ilegems, Vlaamsche Arbeidsdienst, Organisatie en doelstelling, Antwerpen, Internacia, 1940.

Bron, Plisnier Flore, Te wapen voor Hitler. Gewapende collaboratie in Franstalig Belgie 1940 – 1944. Uitgeverij Meulenhoff / Manteau, Antwerpen / A’dam.

 

 

Zwarte september 1944.

De volksrepressie werd door wie er het mikpunt van was ervaren als een ware catastrofe. Dat is niet verwonderlijk. Zij had, los van haar feitelijke omvang en aard, voor vele getroffenen het karakter van een natuurramp.

Bij sommige meelopers van de collaboratie was er niet eens het besef dat zij zich tijdens de bezetting misdragen hadden. De mensen die om den brode lid waren geworden van het VNV of van Rex, waren zich vaak niet bewust van enige schuld. Anderen, die wel  beter wisten, hadden wellicht een naïef vertrouwen in het gerechtelijk apparaat. Misschien verwachtten zij een redelijk en fair proces. Vele collaborateurs kwamen bovendien uit een beschermd en beschermend milieu.De arbeidersbevolking kenden zij niet.

 

Het brutale contact met ‘de straat’ zal daarom des te traumatischer geweest zijn. Bovendien trof de repressie een groep die weinig of geen ervaring had met politie, gerecht en gevangeniswezen. Zo moeten zij bepaalde politionele activiteiten (huiszoekingen, langdurige ondervragingen), die ook in normale tijden gangbaar zijn, als pure terreur beleefd hebben.

Jarenlang ook hadden de leden van Duitsgezinde bewegingen van hun leiders gehoord dat zij allen tot de elite van het land behoorden. Waarschijnlijk hebben sommigen deze boodschap geloofd en kwamen precies daarom de ondergane vernederingen bijzonder zwaar aan.

 

Ook dit moet ge weten :

Vanaf 1944 werden talrijke burgers vervolgd voor militaire rechtbanken wegens misdaden en wanbedrijven tegen de veiligheid van de Staat.

In oorlogstijd worden spionnen, de daders van en de medeplichtigen aan misdrijven tegen de externe veiligheid van de Staat, gevonnist door de militaire vonnisgerechten.

Tussen 1944 en 1946 werd deze bevoegdheid van de militaire jurisdictie tijdelijk uitgebreid tot de misdrijven tegen de inwendige veiligheid van de Staat, tot de aanslagen en complotten en tot een heleboel andere misdrijven met betrekking tot de veiligheid van de Staat. Ook politieke- en persmisdrijven, bevoegdheid van het Hof van Assisen, werden door de militaire gerechten vervolgd en berecht.

De regering oordeelde in mei 1944, bij het aannemen van een Besluitwet over de vervolging van misdrijven tegen de geallieerde legers op het Belgisch grondgebied, dat de gewone parketten en strafrechtbanken tijdens de militaire operaties mogelijk niet in staat zouden zijn hun taak op een behoorlijke wijze uit te voeren. Bijgevolg kreeg het militair gerecht, dat wel kon verder werken in de zone van de gevechten, de bevoegdheid inzake veiligheid van de Staat toegewezen.

Vanaf september 1944 werden duizenden dossiers geopend, (al dan niet vermeende) ‘collaborateurs’ werden massaal gevangen genomen en aangebracht, klachten en aangiftes stroomden bij duizenden toe op de krijgsauditoraten.

Talrijke personen die verdacht werden van handelingen met de vijand werden door de verschillende politieoverheden aangehouden, vaak met de hulp van verzetsgroepen. Het gerecht moest snel kunnen werken om ongeregeldheden en standrechtelijke terechtstellingen, gevolg van de volkswoede, te vermijden

Deze bijdrage beschrijft de bevoegdheden en de samenstelling van de militaire rechtbanken en de procedure voor die rechtbanken bij vervolging van misdrijven tegen de veiligheid van de Staat.

De repressie van het incivisme verliep volgens een ad hoc procedure, die regelmatig werd gewijzigd om het incivismevraagstuk zo snel mogelijk af te handelen.

Deze bijdrage schetst de krijtlijnen van de procedure, op basis van de wetgeving, rechtsleer en rechtspraak en de omzendbrieven en statistieken van het Auditoraat-generaal uit de periode 1944-1950.

Doel is de lezer toe te laten de procedure die gold voor de repressiedossiers beter te begrijpen en te volgen.

 

Bron, VAN GRASDORFF STANNY, Algemeen Rijksarchief Brussel, Cegesoma, Stanislas Horvat, Advocaat te Brussel, Assistent in de rechtsfaculteit van de VUB, Bestuurder van het Studiecentrum voor Militair Recht en Oorlogsrecht .

 

 

 

 

Lees verder

Algemeen Rijksarchief Brussel.Oud stadsarchief Brussel.
Van Thillo ° Wuustwezel 18-01-1901 (links) met een medewerker.