III Mattheus van Schonevelde, ridder

 

vermeld 1317-1328, overleden na 15 januari 1328.

Gehuwd met N.N. Bezat het leengoed Heyminckhorst in het kerspel Emlicheim.

 

Méér weten over ridders : klik hier

 

Waarvan :

1- Ludolph die volgt onder IV  :  zie

2-Stefanie, trouwde Helmbert van der Horst, ridder, zoon van Bernhard I , weduwnaar van Margaretha van Twiclo.

Mattheus komt eerst betrekkelijk laat voor : 2 mei 1317 als ridder met zijn broer Nicolaus als getuige voor Egbert van Almelo, 23 juni 1317 eveneens met zijn broer (beide malen als zodanig aangegeven) als borgman te Heyminckhorst in het kerspel Emlicheim van Mattheus van Schonevelde, ridder. [1]

2 mei 1317 . apud Ghore ...in crastino B. Philippi eth Jacobi apostolorum.
Ten overstaan van Ernestus de Almelo, monnik te Egmunda, Godfridus de Ghore, Johannes Redinch, Arnoldus de Borchlo. Nycolaus en Matheus de Sconevelde, broeders, ridders, e.a. verklaart Ecbertus de Almelo, knape, etc.
H.S. oorspr. R.A.U. b.a. 208. afschr. ald. 2 f. 139. Res. Reg. bss. 402. Druk Racer n 278 no. 34.
Bron, Stanny Van Grasdorff, Nederlandse Leeuw, 1992 (kolom 494)

 

Op 23 mei 1318 verklaart Ludolf van Steinfurt het leengoed Heyminckhorst in het kerspel Emlicheim van Mattheus van Schonevelde, ridder, vrij [2].

Op 9 april 1321 verklaren de broers “Nicolaus et Mattheus dictus de Sconenvelde”, ridders, dat hun moeder enige erflenen te Honhorst heeft afgestaan aan ridder Gotfridus de Koten.

 

Op 15 januari 1328 wordt hij genoemd bij de regeling van de geschillen tussen graaf Johan van Bentheim en Jonker Ludolf von Steinfurt.Bij de verwikkelingen zijn hem paarden ontnomen.Onder de bekrachtigers aan de zijde van de graaf Johan is Mattheus de Sconenfeld, ridder.Daarna wordt hij niet meer vermeld.

Het goed Schonevelde moet op hem zijn overgegaan, het blijkt – met een aantal andere goederen – althans in 1361 bezit te zijn van zijn (gelijknamige) kleinzoon.

De naam van zijn vrouw is niet bekend.

Uit dit huwelijk, 2 kinderen.

 

Er waren, in oude tijden, in de mark Grasdorf twee huizen, welke in staat van verdediging gebracht konden worden, oftewel burchten, waarvan men de standplaats tegenwoordig nog nauwkeurig kan vaststellen. Daar was allereerst het huis Grasdorf (Gravestorp) zelf, waar de heren van Gravensdorp woonden, later de "van Schoneveld, genaamd Grastrup". Veel jonger is het andere huis, dat de graven van Bentheim aan de Dinkel, als tegenwicht tegen de bisschoppelijke burcht Lage hadden gebouwd en dat Dinkelrodde genoemd werd. In de volksmond heeft deze naam zich niet tot vandaag kunnen handhaven. Men noemde de oudste vesting veeleer "dat olt hues"en de jongste "dat nij hues". Bij het "nijen hues" ontstond toen in betrekkelijk korte tijd de stad "thon Nijenhues". Kerkelijk behoorden beide burchten onder het kerspel Veldhausen. Toch werd reeds in 1328 in Neuenhaus een kapel gebouwd.

 

Tot vicaris in deze kapel werd in 1505 een zekere Wolther Pickert benoemd, iemand van een familie, die volgens de burgerlijke stand van Nordhorn al minstens 100 jaar in het graafschap woonachtig was. Zo waren reeds in 1937 een zekere Dyderik Pykhart en diens vrouw Sweneke, burgers van Nordhorn. Dan komen achtereenvolgens een zekere Gherd Pyckard en omstreeks 1470 weer een Dyryck Pyckerdes Gherdszoon, die de burgerrechten van Nordhorn verkreeg.

Ongeveer acht jaar na hem komt een zekere Herman Pickers en in 1523 wordt nog een Pickers Mette in Nordhorn genoemd.

Een huis, Pickerd Stede genaamd, wordt op bladzijde 20 van het oude Nordhornse stadsregister genoemd. In Schüttorf behoorde ene Pickerd omstreeks 1400 tot de weldoeners van het Heilige Geest Ziekenhuis. Kunne Pickerdes bezat in 1423 een stuk land op de Wietkamp en gaf  "ut Rosenpomes Stede" in 1439 nog, aan het vermaarde ziekenhuis, een jaargeld van acht pfennig, betaalbaar op de naamdag van sint Laurentius.

 

 

 

Bron, Stanny Van Grasdorff, Uitgave van Krips Repro Meppel ter gelegenheid van het eerste lustrum van de Picardt-club op maandag 14 november 1977.

 

[1] Gemeentearchief Zwolle , Cartularium Klooster Agnietenberg p. 90.

[2] Gemeentearchief Zwolle , Cartularium Klooster Agnietenberg p. 90.

 

 

Terug naar vorig blad