Het Edict uit 1778 : over de Parochieregisters

 

In het Concilie van Trente werden de vereisten vastgelegd voor het dopen en de huwelijken, die deel uitmaakten van de zeven sacramenten.

De aartshertogen Albrecht en Isabella gaven in het 20ste artikel van hun eeuwig Edict van 12 juli 1611 de richtlijnen van de akten van de doopsels , huwelijken en begrafenissen die in de parochieregisters geschreven worden.

Tot in de jaren 1800 diende dit document vaak als een register van de burgerlijke stand, maar het systematisch bijhouden van de registers door de burgerlijke overheid, dateert vanaf de invoering van de Code Civil door Napoleon.

In 1778 werd er door Keizerin Maria Theresia een nieuw edict uitgegeven.En hier werd zeer duidelijk gemaakt voor de pastoors hoe ze de registers dienden in te vullen en te bewaren.

Er moesten 2 registers zijn "in het wit", te verdelen in drie, dopen, huwelijken en overlijdens.

De inschrijvingen dienden gedaan te worden door de pastoor, de onderpastoor of de deservitor = de bedienaar.De dopen dienden ondertekend te worden door de pastoor of vervanger, door de ouders en de getuigen.Wie niet kon schrijven diende vermeld te worden.

De akte van overlijden (begraven), diende ten laatste 24 uur na het begraven vermeld te zijn in het register.

Zo zegt men ook nog dat ze voor iedere akte die ze inschrijven, 2 Oorden betaald krijgen.Maar wanneer ze nalaten de registers in te vullen en te bewaren zoals het Edict het voorschrijft, krijgen ze een boete van 50 Gulden.

Een copie van het Edict diende in de pastorij aanwezig te zijn.

Een transcriptie van dit Edict is niet nodig, alles is duidelijk verstaanbaar.

Het "Edict" van 6 augustus 1778 door Keizerin Maria-Theresia.

 

E D I C T VAN DE KEYSERINNE KONINGINNE.

Raeckende de Registers der Doopsels, Houwelycken ende Begraeffenissen.

Gegeven tot Brussel den 6. Augusti 1778.

Maria-Theresia, by de gratie Gods, Rooms-Keyserinne Douairiere, Koninginne van Duytsland, van Hongarien, van Bohemen, van Dalmatien, van Croatien, van Sclavonien, van Galitzie ende van Lodomire &c. Aerts-Hertoginne van Oostenryck, Hertoginne van Bourgondien, van lothryck, van Brabant, van Limbourg, van Luxembourg, van Guelderland, van Milaenen, van Styrien, van Carinthien, van Carniolen, van Mantua, van Parme ende Plaisance, van Wirtemberg, van Hoogh ende Neder Silesien, van Auschwitz ende van Zator, Princesse van Suabe ende van Trans-silvanien, Marck-Gravinne des Heyligh Rooms-Ryck, van Burgau, van Moravien, van Hoogh ende Neder Lusatien, Gravinne van Hapsbourg, van Vlaenderen, van Artois, van Tirol, van Henegauw, van Namen, van Ferrette, van Kybourg, van Gorice ende van Gradisca, Landt-Gravinne van Alsatien, Vrouwe van de Marche van Sclavonien, van Portnaon, van Salins ende van Mechelen, Hertoginne van Lorreynen ende van Bar, Groote Hertoginne van Toscanen.

Hoe noodsaeckelyck ende gewigtigh oock geweest zy om eene menighte van Processen ende moeyelyckheden te voorkomen, de onderhouding van den 20sten artikel van het eeuwigh Edict der Doorluchtighste Aerts-Hertogen, Albertus ende Isabella van den 12. July 1611, aeckende de acten van de Doopsels, Houwelycken ende Begraefenissen die geschreven worden in de Registers der Parochien, ende welckers onderhouding door veele posterieure Edicten is geordonneert geweest, naementlyck door het gene van den 6. Meert 1754.

Wy syn des niet-tegenstaende verwittigt door de clachten die ons syn toegkomen, dat de schickinge van den selven artikel, niet en soude achtervolght worden in verscheyde van onse Provincien in dese Nederlanden, ende dat daer en boven in het meestendeel der Parochien de acten van Doopsels, Houwelycken ende Begraeffenissen met soo wynige aendachtigheyt ende nauwkeurigheyt worden opgestelt, datter daer uyt menighmael verwerringen ende moeyelyckheden ontstaen, tot groot nadeel van onse getrouwe Onderdaenen. Om in soo groote onheylen te voorsien, Wy, by advies van onsen Raede geordonneert in Brabant, ende ter deliberatie van onsen seer lieve ende seer beminden Schoon-Broeder ende Neve, Carel-Alexander, Hertogh van Lorreynen ende van Bar, Grooten Meester van het Duyts-Order, onsen Stadhouder, Gouverneur ende Capiteyn-Generael der Nederlanden, hebben gestatueert ende geordonneert, statueren ende ordonneren de volgende pointen ende artikelen.

ARTIKEL I.

De Pastoors, Onder-Pastoors, ofte Deservitores der Parochiale Kercken gelegen binnen den Omtreck van ons Gebiedt in de Nederlanden, sullen sig jaerelycx moeten voorsien van twee Registers in ’t witte, bequaem om daer inne te schryven de acten van Doopsels, Houwelycken ende Begraeffenissen dewelcke jeder jaer sullen voorvallen in hunne respective Parochiën.Welcke Registers jeder sullen worden verdeylt in dry deelen, waer van het een sal dienen voor de acten van Doopsels, ’t ander voor de gene van Houwelycken, ende ’t derde voor de gene van Begraeffenissen.

II.

De Enregistreringe der acten van Doopsels, Houwelycken ende Begraeffenissen sal gedaen worden door den Pastoor, Onder-Pastoor ofte Deservitor, de gene van Doopels ende Houwelycken soo haest de plegtigheden der selve sullen syn volbroght, ende de gene van Begraeffenissen, ten laetsten binnen de 24 ueren naer dat de lichaemen ter aerde sullen syn bestelt, alle welcke enregistreringen sullen gedaen worden vervolgens en sonder eenigh wit te laeten in de deelen van de twee Registers dewelcke daer toe syn gedestineert.

III.

In de acten van Doopsels sal worden uytgedruckt de plaetse, den dagh ende de uere der geboorte, den naem denwelcken aen ’t kint sal gegeven syn, den genen van desselfs Vader ende Moeder, Peter ende Meter, ende hunne respective Woonplaetsen, ende de acten sullen onderteeckent worden op de twee Registers, soo door den genen die het Doopsel sal gedaen hebben, als door den Vader, den Peter ende de Meter, en ingevalle den Vader absent waere, sal men daer van mentie maeken in de act.

IV.

Waer het saecken dat den Vader, den Peter, de Meter, ofte jemand van hun niet en konde schryven, sal men in den act mentie maecken van de Declaratie die sy daer van sullen doen, ende sy sullen onder den act op de twee Registers stellen hun gewoonelyck merkteeken.

V.

Alswanneer een Kint door nootsaeckelyckheyd sal versekert geweest syn, den genen ofte de gene die de versekeringe sal gedaen hebben, sal daer van den Pastoor, den Onder-Pastoor ofte den Deservitor aenstonts moeten verwittigen, om den Act in de twee Registers te schryven, in welcken Act sal mentie gemaeckt worden van de plaetse en van den dag der geboorte van het Kint, van den naem van den Vader, van de Moeder ende van den Persoon die de verzekering sal hebben gedaen, ende den selven Act sal onderteeckent worden op de voorseyde twee Registers, soo door den Pastoor, Onder-Pastoor ofte Deservitor, als door den Vader ende den genen ofte de gene die de verzekering sal hebben gedaen, ende wat aengaet den gene die niet en sullen konnen schryven, daer sal in den Act mentie gemaeckt worden van de declaratie die sy daer van sullen gedaen hebben, ende sy sullen hun teeken daer onder moeten stellen.

VI.
Alswanneer de plegtigheden van het Doopsel sullen gesuppleert syn, sal den Act daer van opgestelt worden gelyck hier boven bevolen is voor het Doopsel, ende men sal bovendien in den selven mentie maecken van den dagh van de versekeringe.

VII.

Ingevalle het Kint onwettig is, sal den Pastoor, Onder-Pastoor ofte Deservitor daer van mentie maeken in den Act van ’t Doopsel, sonder dat hy, om die onwettigheyt aen te wysen, sig sal mogen bedienen van eenig merck ofte teeken, ende sonder dat hy oock sal vermogen te noemen den persoon die men aen hem soude verclaert hebben den Vaeder te syn, ten waere dat dien persoon op den Register wilde teekenen, ende waer ’t saeken dat het Kint een Vondeling was, den Pastoor, Onder-Pastoor ofte Deservitor sal die omstandigheyt in de Act van het Doopsel uytdrucken, ende hy sal daer en boven in de selven aenteekenen de plaetse ende den dag op de welke het Kint sal gevonden geweest syn.

VIII.

In de Acten der celebreering van Houwelycken sullen geschreven worden de naemen, toenaemen, qualiteyten, de geboorte-ende-woonplaetse der contractanten, als oock de naemen, toenaemen, qualiteyten ende woonplaetse van de getuygen dewelcke daer tegenwoordig sullen geweest syn, welcke Acten op de twee Registers sullen worden onderteekent door de Contractanten, de Getuygen, ende de Pastoors, Onder-Pastoors ofte Deservitores, ende wat aengaet die der Contractanten ofte der Getuygen dewelcke niet en sullen konnen teekenen, daer sal mentie gemaeckt worden van het verclaeren ’t welck sy daer van sullen doen, ende sy sullen hun gewoonelyck merck-teeken stellen op de twee Registers onder den Act der voorschreven celebrering.

IX.

Daer sal in de voorseyde Acten der celebreering van Houwelycken oock mentie gemaeckt worden, van den dagh van het Houwelyck, of de Geboden daer van syn uytgeroepen geweest, ende in gevalle men dispensatie van Geboden bekomen heeft, sal men in de selve Acten uytdrucken door wie sulke dispensatie is gegeven geweest.

X.

Ingevalle de gene dewelcke in Houwelyck treden ofte een van hun den volkomen ouderdom van 25 jaeren niet en hadde beryckt, sal men van hunne minderjaerigheydt mentie maecken in de Act, ende indien gevalle, sal in den selven moeten uytgedruckt of de minder jaerige Contractanten geassisteert syn van hunne Vader ende Moeder, Momboirs ofte Curateurs, of sy van hun eene schriftelycke permissie bekomen hebben, ofte wel daer toe geautoriseert syn by Decreet van den Rechter : van welcke permissien ofte Decreten den datum in de Acten van Trouw sal worden verklaert.

 

 

Lees verder