Oorlogsgebeurtenissen 1914/1918 te Sint-Amands.

Een vergeten document.

 

In het gemeentearchief te Sint-Amands vond ik toevallig een dossier genaamd "verslag der oorlogsgebeurtenissen 1914-1918 te Sint-Amands". De schrijver is onbekend en het dossier is niet gedateerd. Het is geschreven in de spelling uit die tijd, goed leesbaar en vermeld in een 25-tal bladzijden de meest interessante gegevens uit ons dorp tussen 1914 en 1918.

Dit is werkelijk een vergeten stukje geschiedenis, goed weggeborgen in het archief in de kelder, tè goed weggelegd, want niemand heeft dit ooit opgemerkt of gevonden, ook niet onze vroegere geschiedschrijvers, E.H. Jan Hallez in 1930 en Yolande Hertsens in 1980.

Ik heb uit dit vergeten dossier de meest interessante gegevens gehaald en in een verstaanbare taal weergegeven. Het is nogal roman-achtig geschreven en bevat tamelijk wat fouten, maar dat wordt aan de schrijver vergeven.

(Voorzitter/Webmaster Stanny Van Grasdorff)

 

Voeding

 

E.H. Brandt, toenmalig onderpastoor, werd op 7 augustus 1914 tot schrijver-schatbewaarder verkozen voor het toen opgerichte "beschermingscomiteit" , om alle noodlijdende broeders en zusters hulp te verlenen". Erevoorzitters werden gekozen : burgemeester Ch.Van Assche en E.H. pastoor Verhaert. Voorzitter werd Eugeen Daelemans, aannemer.

 

Te beginnen van 7 november 1914 werd vier keer per week de volkssoep uitgedeeld en bedroeg een halve liter per persoon.Twee keer per week werd er brood uitgedeeld , één kilo per drie personen, wat later één kilo en half per vier tot zes personen werd en uiteindelijk twee kilo per 7 personen.

De kinderen kregen steun van de "schoolsoep".In november 1914 was het getal der huisgezinnen die steun kregen opgelopen tot 80 maar in de maand januari 1915 bedroeg dit getal reeds 130.Het aantal schoolkinderen die in het begin van de schoolsoep genoten bedroeg 130, waarvan 70 jongens en 60 meisjes.In januari 1915 steeg dit getal tot 150, waarvan 82 jongens en 68 meisjes.Dit alles gebeurde tot 16 februari 1915.Van toen af werd er twee keer per week brood verkocht, één kilo per persoon en per week.

 

Te beginnen van 8 mei 1915 werd het middagmaal op school ingericht dat toegankelijk was voor ieder kind, al of niet ondersteund. Ten einde onze jeugd vooral tegen uitputting en ontberingen te vrijwaren, werd er in april 1917 een bijzonder middagmaal ingericht voor zwakke kinderen.Bij het begin waren er 10.Het hoogste cijfer was 51.

 

Begin juni 1917 werd er een spijshuis ingericht voor moeders en zwangere vrouwen.Terzelfdertijd werd een inrichting tot stand gebracht, die tot doel had, het bestrijden der tering en was aangesloten bij het comiteit van Willebroek.Deze inrichtingen hebben bijzonder goede uitslagen geleverd zodat de kindersterfte bijna tot nul gekomen was en er in 1918 geen dodelijk geval van Spaanse griep te bestatigen was.

(1918-1919 maakte een zeer kwaadaardige griepepidemie in een paar maanden méér slachtoffers in Europa dan de oorlog in vier jaar. In Europa werd ze "Spaanse griep" genoemd)

 

De archieven

 

In het verslag over het oorlogsgebeuren tijdens de oorlog 1914/18 te Sint-Amands, vermeld men dat vóór het invallen van de vijand, de registers en stukken die waarde hadden, opgeborgen werden in een stevige met zink beslagen kist en in de grond gedolven. Bij de opdelving waren enkele stukken beschadigd door water dat naar binnen gedrongen was. Zo werden de moederregisters van het kadaster gans onbruikbaar teruggevonden. Van de bevolkingsregisters waren enkel de stevige kartonnen omslagen doorweekt en vernield. De inschrijvingen hadden niet geleden.

 

 

Boeten en straffen

 

De gemeente heeft op verschillende tijdstippen boeten opgelopen.

Op 23 juli 1915 wordt de gemeente Sint-Amands een boete opgelegd van 3000 Mark door de Duitse Overheid, tengevolge van het vinden van stenen op de private spoorbaan en een wissel van de naamloze maatschappij "Pour favoriser l'industrie agricole" (het kouterfabriek), waardoor werd besloten tot een poging tot ontriggelen der treinen. De boete werd opgelegd door de Generaal Gouverneur. Niettegenstaande het protest van de gemeente, die verklaarde dat de spoorweg een private aangelegenheid was, bleef de boete te betalen.

 

Op 25 december 1916 wordt de gemeente terug een boete opgelegd voor : ten gevolge van het vinden van stenen op de riggels van de ijzeren weg.Deze keer een boete van 300 Mark.De gemeente protesteerde omdat de vaststelling gedaan werd zonder de tussenkomst van de plaatselijke politie.De boete blijft te betalen.

 

Op 14 januari 1917 werd onze gemeente door de Duitse overheid van de Kreis Mechelen de volgende straf opgelegd : tot nader bevel mogen de inwoners hun huizen niet meer verlaten tussen 4 uur namiddag en 7 uur 's morgends.Alle hotels, herbergen, spijshuizen, enz., zullen gesloten worden.Deze straf werd in voege gebracht op 14 januari 1917.Wanneer de Duitsers lucht kregen van een of ander feit, werd onmiddellijk gans de gemeente gestraft, maar hier is geen duidelijkheid over de feiten.

 

Raadslid De Bleser werd in het militair gevang te Mechelen opgesloten van 13 tot 17 januari. De oorzaak van deze straf scheen te zijn dat verschillende manspersonen zich niet hadden aangeboden op de controlevergadering van 8 januari 1917.Doch er dient opgemerkt dat er op 8 januari geen vergadering heef plaats gehad, maar wij vermoeden dat de Duitse overheid de vergadering van 4 januari bedoelde, de dag dat de jongelingen naar Duitsland werden gezonden.

 

Wegvoeren van werklozen

 

Op de kontrolevergadering van 4 januari 1917 werden 35 personen, gehuwd en ongehuwd, bepaald aangeduid tussen al de kontroleplichtigen zonder onderscheid tussen werklozen en diegenen die werk hadden, om naar Duitsland gezonden te worden en daar verplicht te gaan arbeiden.Maar allen weigerden te tekenen voor akkoord.Al deze personen werden nog dezelfde dag per spoor naar Duitsland gebracht of achter het Duitse front in het noorden van Frankrijk.De duur der deportatie bedroeg in de meeste gevallen zes maanden.Enkelen werden na verloop van enige weken wegens ziekte terug naar huis gezonden.Al de weggevoerden doen verhalen van slechte behandeling, slagen en onmenselijke voeding en allen zijn na verloop van enige tijd, teruggekeerd in een staat van uitputting.Velen zijn verschillende weken bedlegerig geweest of dragen sporen van mishandeling.

 

De kontrolevergaderingen voor verweerbare mannen werden in het begin van de bezetting op het gemeentehuis gehouden doch deze plaats was niet meer voldoende voor de heren van het Duitse meldeambt.Ondanks de tegenkantingen van de burgemeester moesten voortaan de vergaderingen in de ruimere schoollokalen plaats hebben en mochten de kinderen een halve en soms een hele dag op straat lopen. De 10de van elke maand zegde de schalkse veldwachter De Winter, "meester 't is de laatste keer", en gedurende méér dan 3 jaar heeft hij die spreuk mogen herhalen.Nadat de bezetter vruchteloze pogingen had aangewend om de lijsten van de werklozen in handen te krijgen, werd in begin december 1916 door middel van plakbrieven aan de bevolking bekend gemaakt, dat de mannelijke personen van 18 tot 55 jaar, op 27, 28 en 29 december zich moesten aanbieden in de lokalen van de jongensschool.Het getal aangeschrevenen bedroeg in het begin méér dan honderd maar werd teruggebracht tot een dertigtal.Acht dagen nadien werden deze mannen op transport gezet naar Duitsland.

 

Op de morgend dat die mannen zouden vertrekken naar Duitsland, kwamen een dertigtal bereden Hulanen het dorp ingereden om bij het minste verzet de burgers te straffen. Al zingend "Deutschland uber alles" kwamen zij hier aan, terwijl bij de vertrekkenden de hartverscheurenste tonelen plaats grepen.

Twee anderen die niet naar Duitsland wilden, Karel De Vlegelaer en Leonard Gevers, probeerden de Hollandse grens over te steken om het Belgisch leger te vervoegen, maar werden aan de grens gevat en toch naar Duitsland gebracht. De eerste is na 46 maanden en de andere na 13 maanden deportatie teruggekeerd. Beiden klagen over mishandeling en ondervoeding.In ons dorp is er geen enkele persoon vrijwillig naar Duitsland gaan werken.

 

 

Gebouwen en eigendommen

 

Tengevolge van de eerste beschieting van ons dorp door het fort van Bornem op 6 september 1914, werd de kerk zwaar beschadigd en daar de toren aan de granaten weerstond, werd deze 's avonds door de Belgische soldaten in brand gestoken.De toren, het dak van de kerk, het oksaal, de kunstwaardige predikstoel en een groot aantal stoelen werden vernield.Door het afbranden van de toren vatten twee aanpalende huizen aan de Kaai eveneens vuur en brandden tot de grond af. Tijdens deze beschieting werden ook enige huizen getroffen waaronder de villa Hallez, gelegen onder de toren, en werd zo erg beschadigd dat deze niet meer bewoonbaar was.

Bij de algemene beschieting door de forten, die plaats hadden op 29 en 30 september 1914, werd de verwoesting nog uitgebreid zodat 15 huizen gans werden vernield en 100 huizen min of meer beschadigd, alsook het Kouterfabriek en de Tannerie. De schade aan de fabrieken werd geraamd op ongeveer 600.000 fr.

 

De scholen

 

Reeds op 14 augustus 1914 bij het terugtrekken van de Belgische troepen op de versterkte stellingen van Antwerpen, werd op bevel van de burgemeester alle lessen opgeschort.Weinige dagen daarna werden de klassen ingenomen door de Belgische soldaten.Doch de drukking van de vijand werd zo groot dat, na een paar dagen, onze troepen verplicht waren terug te trekken op de versterkte plaatsen.De bevolking, reeds bekend met de gruwelen der Duitse barbaren, verlieten in groot getal onze gemeente en gingen in de omheining der forten en zelfs tot in het buitenland wonen .Het schoolgebouw en de onderwijzerswoning werden verlaten.Er zijn geen Duitse soldaten geweest die de school tot verblijfplaats hebben gekozen. Enkel de onderwijzerswoning die door zijn ligging en hoogte daartoe geschikt was om te dienen tot observatiepost, waarvan de slijkerige sporen getuigen op de trap tot aan het dakvenster. Na de inneming van Antwerpen was iedereen gejaagd om naar zijn dorp terug te keren en men mag zeggen dat einde oktober 1914 het grootste aantal ingezetenen in hun haardsteden was teruggekeerd.Er werd dan ook spoedig gedacht onze scholen te heropenen.Ook werd de nieuwe schoolwet, door de Belgische regering in 1914 gestemd, door de Duitse bezetters in voege gebracht.

 

In december 1917 moesten de Duitse troepen wijken op het westelijk front.De plaatsen langs deze zijde van de gevechtslinie werden door de Duitsen ontruimd en zo kwam het dat ons gemeentebestuur verwittigd werd dat er moest plaats gemaakt worden voor vluchtelingen.De lokalen der gemeenteschool werden als tijdelijk verblijf aangewezen en onmiddellijk werd de hand aan 't werk geslagen om die ongelukkigen bij hun aankomst zo goed mogelijk te ontvangen. Banken werden buiten gedragen, stroo werd aangebracht, de lokalen verwarmd en de juffrouwen van het plaatselijk comiteit hielden zich de ganse nacht gereed om aan de sukkelaars bij hun aankomst verwarmde spijzen aan te bieden.De vluchtelingen kwamen aan met de trein en werden naar de school geleid waar een verkwikkende soep met boterhammen hun stond te wachten.Het grootste getal der vluchtelingen behoorde tot de werkersstand, het waren bijna allemaal gezinnen met een talrijke kroost.De vluchtelingen kwamen op 5 december (1917) aan in de school en op 11 december verliet het laatste gezin de school.De lessen konden terug regelmatig gegeven worden.

 

Avondschool

 

Bij het begin van de winter in 1915 werd door Eugeen Daelemans, voorzitter van het plaatselijk comiteit, het gedacht opgevat een avondschool voor volwassenen in te richten.Ondanks de moeilijkheden hield hij niet op zulke instellingen aan te prijzen en gelukte hij er in dergelijke school tot stand te brengen.Hij was overtuigd dat dergelijke instelling onze werkloze bevolking nuttig zou bezig houden en alzo bijdragen om het zedelijk pijl onzer bevolking omhoog te houden.Dat de voorzitter zich in zijn verwachtingen niet bedrogen had, bewijzen het groot getal inschrijvingen en de regelmatigheid waarmede de lessen werden bijgewoond.Drie klassen zaten proppensvol en telden elk 50 tot 60 leerlingen.De volgende winter was noodlottig voor de avondschool en was men verplicht de lessen te schorsen.De onderwijzers vonden het onhoudbaar, de leerlingen werden het moe en weldra zaten de klassen zonder leerlingen en moest de avondschool, die zo bloeiend begonnen was, voor goed haar deuren sluiten.

 

Kolennood

 

De winter van 1916 - 1917 was een tijdstip dat het schoolgaan meermaals werd onderbroken, waardoor het onderwijs en de opvoeding merkelijk daalde.Er heerste een algemene kolennood.Het grootste getal der bevolking zat zonder brandstof.Fabelachtige sommen werden uitgegeven om aan kolen te geraken.Zo zag men tot 200 fr voor 1000 kgr betalen voor gewone huiskolen, die voor de oorlog 32 fr kostten.De Duitse overheid in haar schijnbare genegenheid voor de Belgen, wilde de gezinnen daarin ter hulp komen. Zij deed beslag leggen op de voorraad kolen, die in werkelijkheid niet bestond, in de scholen en openbare gebouwen, om deze dan onder de bevolking te verdelen.Er mocht hoegenaamd geen vuur gemaakt worden in de klassen.Bij de grote koude werden de onderwijzers verplicht om de lessen op te schorten en zo werd er van 19 februari tot 12 maart en van 26 maart tot 29 maart 1917 gedwongen verlof toegestaan.

 

Fabrieken

 

De fabriek voor scheikundige meststoffen (het kouterfabriek) welke aan 300 tot 400 werklieden werk verschaft, is sinds 1915 totaal werkloos.Door de beschieting in september en oktober 1914, is er voor ongeveer 500.000 fr schade aangebracht.Bij bevel der bezettende macht moest een nauwkeurige inventaris opgemaakt worden van alle machienen en werktuigen.Zo heeft het "kouterfabriek" ongeveer 1.000.000 fr schade geleden aan opeisingen, door het bestuur hier vermeld :

Zeven ketelwagens. Het materiaal van "de ijzeren weg" : 2 locomotieven. De drijfriemen. Pyrites ongeveer 1.247.000 kgr. Aan lood 375.245 kgr. Aan zwavelzuur 34.084 kgr en nog méér andere zuren en meststoffen.

De ledernijverheid (de tannerie) heeft het werk gedurende deze rampvolle jaren gestaakt. Door de beschieting in 1914 werden alle ruiten verbrijzeld, het dak ontredderd en menige muren doorboord waarop de schade ongeveer 100.000 fr werd beraamd. Duizenden kilo's leder, vetten, olieën en andere looistoffen werden geplunderd voor een bedrag van 500.000 fr.

 

De landbouw

 

De schrijver is hier niet mals voor de boeren, want het zijn "woekeraars" schrijft hij.

Voorspoedige jaren hebben de landbouwers genoten.Wel ondervonden ze moeilijkheden en onrust voor het in te leveren graan, aardappelen, melk en boter.Deze onrust was dikwijls ongegrond en had maar tot doel hun kennissen en dorpsgenoten te kunnen doorzenden, om later hun producten tegen hoge prijzen te verkopen.Door de opeising van 45 paarden moest het veldwerk met de spade verricht worden.Koeien, jonge runderen en ossen werden ingespannen en het was in 1918 een zeldzaam feit wanneer men een vlug paard op de straat ontmoette.De scheikundige meststoffen ontbraken en de verarmde grond bracht minder vruchten voort.

Door gebrek aan voldoende levensmiddelen hebben wij tijdens de oorlog kennis kunnen maken met woekeraars en hun lakeien.Hier enkele woekerprijzen : 40 fr voor één kilo boter, 80 tot 100 fr voor een zak aardappelen direkt na het uitrooien, 300 fr voor een zak rogge, en zelfs tot 500 fr op het einde van het jaar 1918.Voor een koe of een vet rund werd tot 4000 fr betaald.Zware stieren brachten de ongelofelijke som op van ongeveer 10.000 fr. Het is dan ook niet te verwonderen dat het geld van de stad met miljoenen naar de boerenbevolking verhuisd is. Hoeveel ellende hadden de landbouwers niet kunnen verhelpen indien zij een weinig naastenliefde getoond hadden, wat bij velen ontbrak, in de plaats van hun producten en beesten aan vreemde kooplieden, die maar al te dikwijls voor de vijand handel dreven, aan woekerprijzen te verkopen.

 

Vreemd vee

 

In de laatste dagen van de maand oktober 1918, terwijl de strijd geleverd werd ten westen van Gent, werden duizenden koeien, op bevel van de vijand, uit het operatiegebied naar onze gemeente gedreven en zoveel mogelijk geplaatst binnen de omheining van het grote fabriek voor scheikundige meststoffen (kouterfabriek).De besturen der omliggende gemeenten werden verplicht, volgens hun belangrijkheid, een aantal dieren op te halen en bij de landbouwers te plaatsen.Honderden dieren die verschillende dagen in onze gemeente hebben gestaan, schier zonder voedsel, hielden een oorverdovend en hartverscheurend geschreeuw aan.De bewaking door de Duitse soldaten liet veel te wensen over en zo werden bij nacht en zelfs over dag, dieren gestolen die dan werden geslacht of verkocht.Zelfs de Duitse soldaten roofden vee tot in de stallen van de landbouwers om het te slachten of te verkopen.In geval dat het leger verder zou wijken, zouden ook deze dieren verder worden gedreven.Gelukkig kwam de wapenstilstand hieraan een einde stellen.Gedurende weken en zelfs maanden daarna kwamen honderden landbouwers uit West- en Oost-Vlaanderen naar onze gemeente om inlichtingen over hun ontnomen dieren.

 

Openbare gezondheid

 

In het algemeen is de gezondheidstoestand in Sint-Amands en omliggende gedurende de oorlogsjaren zeer voldoende geweest.Na de vlucht in Sint-Amands teruggekeerd, is er spoedig gezorgd geweest dat men een soepbedeling kon inrichten om de meest behoeftigen te kunnen helpen.Zo veel en zo gauw mogelijk de noodlijdenden voedsel en zuivere kleding verschaffen was de leuze.Om de aandacht van het volk te trekken op de noodzakelijkheid om het water kiemvrij te maken voor het gebruik, heeft men op de muren van de gemeente het volgende opschrift doen plakken : "kookt uw water".

Niettegenstaande alle zorgen heeft men nog veelvuldige gevallen van gezwellen en klieren moeten vaststellen.Dan is er nog het dispensarium van Willebroek dat aan de teringlijders overvoeding verschafte om deze toenemende kwaal beter te kunnen bestrijden.Er valt op te merken dat er verschillende gevallen van typhuskoorts zijn voorgekomen welke door onmiddellijke afzondering in het gasthuis, het bij enkele gevallen is gebleven.

 

Menigvuldige gevallen van schurft hebben zich voorgedaan, reeds van na de vlucht op het einde van 1914, waarschijnlijk veroorzaakt door de mensenmassa's gedurende de vlucht.Gedurende de zomer van 1915 hebben wij, door de grote hitte, menig overlijden te betreuren gehad, veroorzaakt door "bloedopdrang".We hebben ook vele gevallen van krampen en buikloop bestatigd. In 1916 heeft de influenza hier epidemisch geheerst en was er nog sprake van Spaanse griep.

Maar in de zomer van 1918 heeft de Spaanse griep hier haar eerste intrede gedaan.Vele zieken maar gelukkig geen sterfgevallen.Voor de tweede keer is deze ziekte naar Sint-Amands meegebracht door de opgeëisten van Oostende, Blankenberge, Sint-Niklaas en Temse, welke hier ten getalle van 700 tot 800 in de scholen werden opgesloten door de Duitse beulen.Vele jongens konden vluchten, maar de anderen door griep aangetast, lagen in 't stroo, en de Duitse dokter liet ze liggen en keek er niet naar om.Samen met de Zusterkes van de meisjesschool hebben wij de ongelukkigen bijgestaan.Eén is overleden ten gevolge van longontsteking.

Voor de derde maal hebben we gevallen van griep gehad in februari en maart, maar nu waren er méér met een noodlottig einde, meestal door longontsteking.

Onze jongens die naar Duitsland weggevoerd werden, keerden terug in bedenkelijke toestand.Zij waren ondervoed en uitgeput zodat ze niet genoeg weerstand bezaten tegen de griep ofwel aangetast werden door tering.

 

Controle

 

Het stelsel van eenzelvigheidsbewijzen door de Duitse overheid ingevoerd, werd in 't algemeen goed ontvangen, maar het was vooral dienstig om personen te identificeren die zij in overtreding vonden.De verplichting voor kontroleplichtigen een reispas aan te vragen om de gemeente te mogen verlaten, verwekte integendeel grote teleurstelling, daar het aantal passen zeer beperkt was en hierdoor een groot aantal personen zich niet op reis konden begeven zonder zich aan vervolging bloot te stellen.

Er bestond te Sint-Amands ook een Duitse gendarmerie welke gelast was om toezicht te houden in en rond de gemeente.Hun bevoegdheid bestond in het aanhouden van personen welke met de één of andere verboden koopwaar op weg waren.Die goederen werden dan aangeslagen en naar de gendarmerie vervoerd.Er waren ook nog geheime Duitse politiemannen, niet in militair kostuum, om zo gemakkelijker de personen te kunnen aanhouden.Deze politiemensen waren nochthans door de bevolking vlug gekend.

 

Veiligheidswachten

 

In overleg met de heer Procureur des Konings werd er door de gemeenteraad, bij besluit van 18 november 1915, een veiligheidswacht opgericht, samengesteld uit alle weerbare mannen van 18 tot 45 jaar oud en tot doel hebbende, door wachtronden de veiligheid van de bewoners en de veldvruchten te verzekeren.

De militaire Gouverneur van Antwerpen heeft bij verordening van 20 februari 1916 deze wachtronden afgeschaft.Als politiedienaar en hulpveldwachter wordt in die periode vermeld :  Frans De Winter ° 1876, hij was getrouwd met Maria Mertens.

 

Het bestuur

 

Het personeel van het gemeentebestuur heeft tijdens de oorlog geen veranderingen ondergaan, enkel één lid van de raad is overleden.De werkzaamheden van het bestuur hebben schier niet geleden.De meeste leden van de raad waren in de maand oktober 1914 na enkele dagen afwezigheid reeds teruggekeerd en heeft aanstonds politiemaatregelen getroffen om de vrede en de rust in de gemeente te verzekeren.De inwoners werden bij plakbrieven uitgenodigd de dieren, zoals koeien, runderen, geiten en andere welkdanige voorwerpen, die door de Duitsen in hun wonig werd gebracht, aan de eigenaars terug te geven en er werden bezoeken afgelegd bij de moedwilligen.

Ten einde de gewone zakengang te verzekeren is het bestuur verplicht geweest om in de loop van de oorlog leningen aan te gaan, eerst met een bedrag van 52.000 fr en nadien met de maatschappij "Het gemeentekrediet" voor 150.000 fr.Deze sommen werden grotendeels besteed tot betaling van de jaarwedden van het gemeentepersoneel en vooral aan toelagen voor het plaatselijk comiteit dat reeds van in de maand november 1914 op eigen initiatief, soep en broodbedelingen voor de noodlijdenden instelde.

Het plaatselijk comiteit heeft tijdens de ganse duur van de oorlog oneindig veel diensten bewezen aan de bevolking en hier zij welverdiende hulde gebracht aan de heer Eugeen Daelemans, voorzitter, de eerwaarde heer pastoor, onderpastoor, alsmede aan al de medewerkers, dames, juffrouwen en bedienden, die gedurende deze jaren van nood zich gans hebben opgeofferd ten bate van hun medeburgers.

De druk van het Duits tirannenbeheer heeft zich gedurende de ganse bezettingsperiode op verschillende diensten van het gemeentebestuur doen gevoelen, zonder nochthans het te kunnen ontredderen.

 

Oktober 1918

 

Op 22 oktober omstreeks 21 uur kwamen onder de leiding van Duitse soldaten een duizendtal opgeëisten, waaronder onderwijzers, fabrikanten, enz, onder het zingen van de Vlaamse Leeuw, door de straten van onze gemeente.Het waren zogenaamde "zivil-arbeiders", van ver uit Vlaanderen die een onderkomen vonden in de schoollokalen van de Zusters. Ze vonden er ook de achterdeur langs waar ze konden ontvluchten, zodat hun getal weldra tot 150 was geslonken.Wat later kwam er een stoet van vee, voortgestuwd door Duitse soldaten in volle aftocht.

Rond het tijdstip van de wapenstilstand werkten gedurende een veertiental dagen Duitse pionieren, die druk bezig waren om de Schelde tot een verdediging in te richten. Er was van het Hoog Duits Kommando het bevel toegekomen om Sint-Amands te ontruimen van de bevolking. Dit zou gebeuren in de week die volgde op de 10de november 1918. Nadien zouden alle gebouwen "plat" gelegd worden.

Door de wapenstilstand is dit bevel dus niet meer uitgevoerd en onze gemeente gered geweest van van een volledige vernieling.

 

 

Bronnen  :

Bron, Webmaster Stanny Van Grasdorff, voorzitter familiekunde St-Amands, uit eigen werk en Gemeentearchief Sint-Amands, dossier verslag der oorlogsgebeurtenissen 1914-1918 te St-Amands, “een vergeten dossier” (van een onbekende schrijver)

 

Bibliografie  :

E.H. Jan Hallez, priester, Geschiedenis van Sint-Amands-op-Schelde, 1938, drukkerij Wils te Sint-Amands

 

 

 

 

 

 

 

   

 

 

 

Terug naar startpagina