terug naar index             Het kerkbeheer of "de Heilige Geesttafel" of "de armentafel"

Tafels van de Heilige Geest of "Pater Pauperum" (= vader der armen)

De armenzorg werd toevertrouwd aan de Heilige Geesttafel, ook Geestdis, armentafel of armendis genoemd, en was nauw verbonden met de kerk en de parochie.Het bestuur bestond uit 2 armenmeesters, meestal waren het schepenen en werden verkozen voor één jaar, door de pastoor, de baljuw en de schepenen.Zo kennen we in 1725 als armmeester Jaspaart van Houwenhove en in 1739 is het Jan van Gaever.De kerkfabriek werd opgericht uit nood aan een passend beheer en de bescherming van de kerkelijke goederen en werd opgericht in de middeleeuwen.In de middeleeuwen hadden de armen hun eigen plaats in de maatschappij.Door hun gebrek, hun lijden en hun ontbering, waren zij reeds van het aardse onthecht.En zo konden de armen bemiddelaars worden tussen de wereld en God.Want geven aan de armen, was geven aan God.

De benaming "Heilige Geesttafel" is vermoedelijk afgeleid naar de plaats waar de bedeling van brood of andere goederen gebeurde, meestal achteraan in de kerk, op een tafel. Armentafels waren bedoeld voor de eigen parochianen. Het waren letterlijk tafels, meestal in een kerk, waaraan regelmatige uitdelingen aan de plaatselijke armen gedaan werden, meestal in natura. De inkomsten die daarvoor nodig waren, werden bijeengebracht door de parochies zelf of door geestelijke gilden. Deze gilden of broederschappen waren in de eerste plaats bedoeld voor de verzorging van de memoriedienst voor gestorven gildeleden. Daarnaast konden zij ook tot doel hebben uitdelingen aan de armen te doen. De gilden versterkten daardoor een van de functies van de parochie.

Maar naast de traditionele armen, onstond er in de 13é eeuw echter een rumoerige klasse van werkende armen. Het werd nu ook belangrijk dat via steunverlening, de veiligheid van de burgers en hun bezittingen werd verzekerd.Daarom ontstonden burgerlijke instellingen zoals de "Tafels van de Heilige Geest", de Gods-, passanten- en ziekenhuizen.Wanneer het deel der tienden afgeschaft werd, dat bestemd was voor de armen, zal de Heilige Geesttafel eerst bestaan hebben op giften, op omhalingen in de kerk, maar bij overlijden van voorname dorpsgenoten verrijkt met giften, eigendommen en testamenten.

Het beeld van de"arme" werd ook steeds negatiever.De arme was een leegloper, een gevaarlijk individu dat de maatschappij ondermijnde.De armen werden een gevaarlijke klasse.Zij waren immers nietsnutten, luiaards en parasieten, die behoeftig waren door hun eigen schuld.

In de vroege zestiende eeuw was er veel kritiek op de uitdelingen aan de armen in het kader van de memoriedienst. De nieuw opkomende reformatorische stroming wees de memoriedienst met zijn gebeden voor de zielen van overledenen principieel af. In traditioneel katholieke kring werd het bezwaar gevoeld dat de uitdelingen aan kerken, kloosters en huisdeuren niet alleen de meest behoeftigen van de eigen gemeenschap bereikten, maar vaak terecht kwamen bij de brutaalsten, bij beroepsbedelaars en vagebonden. Op verschillende plaatsen in Europa werd dan ook geëxperimenteerd met systemen van gecentraliseerde armenzorg. Humanisten waren hiervoor pleitbezorgers. Alle giften en fondsen werden in één algemene armenbeurs bijeengebracht. De plaatselijke overheid zag toe op het beheer van deze fondsen en stelde armverzorgers aan, die de inkomsten zorgvuldig verdeelden onder degenen die het het meeste nodig hadden. Bedelarij werd geheel verboden.

De Heilige Geesttafels werden in 1796 afgeschaft door de Franse bezetter en ze werden vervangen door "Burelen van Weldadigheid" (Bureau de Bienfaissance) en een Commissie van de Burgerlijke Godshuizen.De armenzorg werd gebureaucratiseerd.De behoeftige gezinnen werden aan een nauwlettend toezicht onderworpen.De Burelen van Weldadigheid werden op hun beurt afgeschaft in 1925 en zullen vanaf dan "Kommissie van Openbare Onderstand" genoemd worden.Tenslotte zal het daarna het O.C.M.W. worden.

Tot bij de Franse Omwenteling werd de armenzorg waargenomen door de Kerk, door middel van het derde deel van de opbrengst der tienden, dat sedert Karel de Grote ten goede moest komen aan de armen.Later legden veel grondbezitters en politieke heren de hand op alles of op een gedeelte van de tienden die aan de kerk en aan de behoeftigen toekwamen.

In de tweede helft van de 19é eeuw groeiden er nieuwe ideeën en kwamen er andere inzichten.Bijstand bleef weliswaar een gunst, maar er werd in toenemende mate aandacht besteed aan de levensomstandigheden van de armen.Er werden nieuwe gestichten gebouwd  en sloppenwijken werden gesaneerd.Door de levensomstandigheden  te verbeteren hoopte men ook de armoede zelf te kunnen bestrijden. Langzamerhand groeide er een netwerk van voorzorgsinstellingen.Na de 2é wereldoorlog werd dan de verplichte sociale zekerheid voor werknemers ingesteld.De armenzorg werd op die manier wat ontlast.Méér en méér werd de openbare bijstand een recht waarvan in principe iedere behoeftige burger gebruik kan van maken.

Hoe het er hier juist aan toe ging, in Sint Amands, is niet met zekerheid te zeggen.

In het Rijksarchief te Antwerpen worden de rekeningen bewaard van de H.Geesttafel van Sint-Amands, vanaf 1606 tot 1751, maar ook nog enkele exemplaren uit het jaar 1680, 1767 en 1792.Er bestaat tevens een manuaal van de armen uit het jaar 1786.Volgens Jan Hallez bestaan er rekeningen vanaf 1604 tot aan de Franse revolutie in het Gemeentearchief. Ik heb ze daar niet teruggevonden.

Het armenbestuur stond in voor de hulp en het onderhoud van de arme en oudere mensen, en de meeste uitgaven gingen dus ook naar hen. Er werd tussengekomen in de huishuur en het onderhoudsgeld, soms gedeeltelijk, maar ook soms geheel.Zo krijgt Franciscus Van den Eede in 1759, 33 gulden uitgekeerd waarmee hij zijn moeder één jaar moest onderhouden.Ook de kosten van de begrafenis van arme mensen vielen ten laste van de armendis. Blinden en mindervalieden werden eveneens door het armenbestuur geholpen.Kortom, de taak van de Heilige Geestmeesters bestonden in het nauwgezet beheren van het bezit der Tafel, het aannemen en uitbesteden van armen, voeding, kleding, onderwijs, bijstand bij ziekte en bij dood, enz. Iemand die niet van de parochie was, kon, hoe hulpbehoevend hij of zij ook was, niet genieten van de Tafel.

De armentafel bezat te Sint-Amands een groot aantal cijnzen die voortkwamen van gronden en hofsteden, wat dus betekende, dat zij het recht bezaten om jaarlijks cijnsen of belastingen te heffen op bepaalde hofsteden en gronden. Een stuk land dat de armtafel in de jaren 1700 verpachtte, noemde "het zieckhuys", wat eventueel zou kunnen verwijzen naar het bestaan van een "leprozerij", waarin men melaatsen en andere besmettelijke zieken afzonderde. Volgens een rekening van de H.Geesttafel uit 1727 bestond de naam toen nog, maar niet meer de inrichting, vermits het "ziekenhuisveldeken" dat tot het "zieckhuys" behoorde, verhuurd was aan ene Hendrik Lauwers voor 13 gulden. Dit land was groot, 175 roeden, en paalde oost aan de hovinge van Pieter Boeykens, zuid aan de hovinge van Jan de But en noord aan 's heerenstraete.Volgens diezelfde rekening zou het "zieckhuys" gelegen hebben in de nabijheid van "het Meirken" waar Jan Boeykens een "hoirije" (1) had dat paalde, oost, aan het ziekhuisveldeken. Voordien droeg de H.Geesttafel de onkosten voor dit land.

Er waren ook een aantal renten die de armtafel ontving, voor het houden van jaargetijden.En ook in de kerk werd met een schaal geld ingezameld voor de armen.

In 1760 liet "pauwel van kerckhoven" een stuk grond na aan de armen van Sint-Amands.Dit stuk land, genaamd "de buysheijde", was 3 dagwand groot en paalde ten Oosten aan de kapelanie van Sint-Amands, ten Zuiden aan de erfgenamen van de heer van der vorst uit Antwerpen en de weduwe van Egidius de Bock, ten Westen aan de erfgenamen van wijlen de heer Moortgat uit Gent en ten Noorden aan 's Heeren Straete.(bron : gemeentearchief, archief armenbestuur, nummer 39, testament).Er was een voorwaarde aan verbonden : de armtafel moest in de kerk van Sint- Amands jaarlijks een gelezen jaargetijde houden, dat moest gepaard gaan met brooduitdeling aan de armen en dit ten "eeuwigen dage".

De rekeningen van de H.Geesttafel uit het jaar 1727 leren ons oude en zelfs verloren benamingen kennen en de ligging van sommige huizen :

Paulus Cooremans woont in de Keeten. De hofstede van Adrianus Hiel staat ook in de Keeten en paalt noord aan de Queken Dries. Geeraert Collier en Merten Borms wonen ook op deze Queken Dries. Jan De Kegel woont op de Smissen. Frans Van Kerckhove op de  Laerendries. Barbara Collier heeft land liggen palende oost aan de Donck, zuid aan de heirbaan naar Dendermonde en Mechelen. Romeijn Matthijs woont op de Kerkendries, zijn hofstede paalt noord aan de beke. Geeraart Rottiers heeft een gemet land in de hellekes. De hofstede van Jan Gouberghe staat in de Papaert en de hofstede van Adriaan Van Droogenbroeck paalt zuid aan de Scheirstraat (?). Al deze mensen moeten cijnsen betalen op hun aangeduide bezittingen. Anna De Mayer betrekt het huis "de fortuine" en volgens verdere aanduidingen, met Gllis Moortgat, weduwe Jan Leys, Huybrecht Quodfacelem enerzijds, en Paulus Ranson anderzijds, aan de kaai vlak voor de Schelde woont.

Er zijn drie stuivers bezet op een jaargetijde voor Laurens Keurvelt op "de woestijne", palende west, het goed van Sint Bernaerts, en noord de Middelstraat. Voor het jaargetijde van Gillis Van Schoor, staande op "de rest van de hofstede van de woestijne". Voor Margriet Esscherix staat dezelfde som op het land op "Manhauten" (?). Deze drie schijnen van lang vervlogen tijd te zijn, gezien het klein bedrag der bezetting : voor een mis werd in 1772 nog 12 stuivers betaald.

Sint Bernaerts zou hier meerdere goederen liggen gehad want men spreekt verder van een stuk land op de Kouter, palende zuid aan het goed van Sint Bernaerts. Ene Gillis Goiris heeft zijn hofstede staan aan de Boschdries. De weduwe van Jan de Bock aan de Valk. Jan De Geeter op de Laerendries, palende noord het boonstraatje. Jan Brusselmans heeft land liggen in de heivelden palende zuid aan de Fierekensstraat. Cornelis Buytaert heeft een stuk land in het Meulemansveld, één bunder groot. Gillis Servaes bezit één bunder land genaamd het "Wauwveld". Passchier Hermans bebouwt een stuk land op de Bocht. Pieter Meskens heeft een halve bunder land op de Bundergracht. Merten Van Steene woont op het einde van de Laerendries. De weduwe Jan Moens woont in dezelfde straat. Weduwe Gillis Van den Bossche woont op het Driesken. Weduwe Gillis Daelemans heeft een huis en erf met bedde, water, stallen, bomen en andere edificiën in "den Boschdries". Catharina Janssens heeft haar woning staan op de Kerkhofdries, palende zuid, aan de straat, oost aan Jan Smet, west aan Jan van Hoeck en noord aan Pauwels De Bock.

De gewone uitgaven van het armenbestuur bedroeg dit jaar 1799 gulden en werd gebruikt voor o.a. lijnwaad aan 9,5 stuiver de el, voor schoenen, kousen, een "sarije", hoeden, manden turf, klederen o.a. 54 gulden voor levering betaald aan  Daniël Willocx, winkelwaren geleverd door de huisvrouw van Frans Van Kerckhoven, een lijkkist voor een arme kost  2 gulden en 6 stuivers, voor levering van meel door  Josyne Gorus de weduwe van Engelbertus Hermans de som van 290 gulden. De toenmalige schoolmeester Joannes Frans Van Vreke ontvangt 3 gulden en 15 stuivers voor het leren van arme kinderen en Peeter Wishof, meester-chirurgijn, ontvangt 13 gulden voor het leveren van  medicamenten en voor het houden van visieten.Alle rekeningen werden bijzonder goed bijgehouden, tot in de kleine bijzonderheden, wanneer we zien dat er 1 gulden werd betaald voor één jaar het scheren van de baard  van Amandus de Smet !.

De H.Geesttafel onderzocht scherp de geldelijken toestand der families die wilden ingeschreven worden op de rol der armen.Maar eens ingeschreven dan bleven ze het ook al verbeterde later hun toestand. Ze waren officieel arm.

 

Enkele voorbeelden over wat men nog zoal schreef over de armentafel te Sint-Amands, want alles weergeven is onbegonnen werk :

Voor de vierschaar (21-3-1759) is er een verzoek door franciscus van Eede, die een toelage vraagt van de "huysarmen", voor het onderhouden van zijn moeder. Er werd een som van 33 gulden per jaar toegestaan.

Aan de directeur van het krankzinnigengesticht te Brussel werd 71 gulden en 12 stuivers betaald voor het onderhoud van Petrus van cauter. Schoonvader van de krankzinnige was Pauwel Ivens, die ook een zeker bedrag diende bij te leggen.

Petrus Joannes geerst legt de eed af als kerkm(eester).Officier is piessens. Engelbertus van hese is administrerende armmeester.Men schrijft er bij : "mede gecompareert den eerwaerden heere pastor". (13-11-1769)

Een brief van Pastoor Meijers en de Schepenen van Sint-Niklaas aan het bestuur van Sint-Amands.Zij melden dat Joannes Lovenier door ziekte en andere zaken, tot de uiterste armoede is gekomen en moet "gealimenteerd" worden.Men vraagt aan het bestuur van Sint-Amands om te voldoen aan de inhoud van de "borgbrief". (28-2-1770)

Engelbertus van hese, armmeester, dient te betalen aan Bernaert Maes,14 gulden. (9-1-1770)

 

Zie ook : Zwervers, vagebonden, bedelaars en de tafels van de Heilige Geest :  klik hier

 

(1) Hooirije (hoirie): een stuk land met erfrecht, recht van erfopvolging , VERDAM, Middelnederlandsch Handwoordenboek, blz 254

Bron, Gemeentearchief  Sint-Amands, schepengriffie, schepenakten, kerkelijk archief, archief armenbestuur, kerkrekeningen.

Bron, Van Grasdorff Stanny, De 20ste cohierpenning te Sint-Amands in 1570 -1572, uitgave in eigen beheer, 2007.

Bibliografie : Jan Hallez, Geschiedenis van Sint-Amands-op-Schelde, 1938, drukkerij Wils te Sint-Amands

Bibliografie : Paul Bonenfant, "Origines et caractère de la réforme de la bienfaisance publique aux Pays-Bas sous le règne de Charles-Quint", in: Hôpitaux et bienfaisance publique dans les anciens Pays-Bas des origines à la fin du XVIIe siècle, Annales de la société Belge de l'histoire des hôpitaux 3 (1965) (Themanummer) pp. 115-147;

Bibiografie : H. Soly, "Economische ontwikkeling en sociale politiek in Europa tijdens de overgang van middeleeuwen naar nieuwe tijden", Tijdschrift voor Geschiedenis 88 (1975) pp. 584-597.

 

terug naar boven