Akte uit het jaar 1266, inhoudende de "kostuymen" of de wetten die opgelegd werden door de Heren van Sint-Amands.Een transcriptie is niet nodig want de tekst is goed verstaanbaar.De Heer van Dendermonde had het recht op één derde van de boeten
en het beste pand te Sint-Amands.
Robert oudtsten sone van Guido Grave van Vlaenderen als Heer van Dendermonde metten Abt van S.Amands ende Leonius vander A., Wapendrager, Mede-Heeren, stellen Wetten aen de inwoonderen van dit Dorp over boeten ende staffen inden jaere 1266, luydende al
s volcht :I
Alle de gene die deze tegenwoordige Letteren zullen zien, Robert den eerstgeboren vanden Grave van Vlaenderen, Voerstander van Atrecht, Heer van Betunen ende Dendermonde,
F. bij de toelatinge Godts, Abt vande Kerck van S.Amands te Pavele, ende Leonius Heer vander A, Wapendrager, Salut, ende te kennen de Waerheyt ; De dingen diemen inden tijdt doet, op dat zij niet zouden vervallen met den loop der tijdts, pleechden aen de gedachtenisse vande geschriften bevolen te worden.Dat dan een yegelijck weet, zo de tegenwoordige als de Nacomelingen, dat wij t’samenlijck met gemeenen raet in ons Dorp van Baserode S.Amandts, ons toekomende, hebben Wet ende Vrijdom gestelt die eewichlijck zal dueren ; hebbende de selve gegeven aen alle de gene die in ’t gemelde Dorp woonachtich zijn en hier namaels zullen woonen, in dier vugen als wij hier onder gestelt ende geschreven is, te weten :II
Ist dat yemandt den anderen sal aengetegen hebben een leugen geseyt te hebben, oft vuyle oft smadelijcke woorden sal aangeseyt hebben, sal schuldich zijn de boete van vijf schellingen.
III
Ist dat yemandt den anderen met een platte handt soft vuyst sal geslagen hebben, sal schuldich zijn de boete van thien schellingen.
IV
Ist dat yemandt den anderen soo krachtelijck sal geslagen hebben, datter ’t vel gebroken oft gescheurt zijnde, bloedt sal uytgecomen zijn, sal de boete van t’sestich schellingen schuldich zijn.
V
Ist dat yemandt den anderen met eenen stock oft klippels
sal geslagen hebben, ist dat hy hem geen lidt gebroken sal hebben, sal schuldich zyn de boete van twintich schellingen.
VI
Maer ist datter bloet sal uytgecomen zijn, oft hem een lidt sal gebroken hebben, sal schuldich zijn de boete van sestich schellingen.
VII
Ist dat yemandt den anderen soo sal gewont hebben datter een been van ’t hooft vanden gequetsten sal moeten uyt-genomen worden, sal schuldigh zijn de boete van thien ponden.
VIII
Ist dat yemandt den anderen met toornigen moede, om een ander te quetsen, een sweert sal uyt-
getrocken heben, sal schuldich zijn de boete van twintich schellingen.IX
Ist dat yemandt den anderen met den swaerde sal geslagen hebben, ende nochtans hem niet gequetst, sal schuldich zijn de boete van thien ponden.
X
Ist dat yemandt den anderen met de swaerde sal gequetst hebben, sal schuldich zijn de boete van sestich ponden.
XI
Ist dat yemandt den anderen handt, voet, ofte ooge, in heftige gramschap sal geweert hebben, sal schuldich zijn de boete van sestich ponden.
XII
Ist dat yemandt voordachtelijck den anderen handt, voet, ooge oft tonge sal gequetst hebben, sijn lichaem ende sijn goederen sullen inde handen vande Heeren zijn.
XIII
Ist dat yemandt den anderen in een Huys sal gejaecht hebben, sal schuldich zijn de boete van sestich schellingen.
XIV
Ende eenig
yegelijck, vande gene die uyt quaet volgen, sal schuldigh zijn de boete van thien schellingen.XV
Dan ist dat vele een huys sullen overweldight hebben, den genen die de aenleijdinghe vande gemelde overweldinge sal gemaeckt hebben, sal schuldigh zijn de boete van thien ponden.
XVI
Ende d'ander van die hem geholpen sullen hebben, een yegelijck van haer sal schuldigh zijn de boete van t' sestich schellingen.
XVII
Ist dat yemandt den anderen met een gepunt-mes, dagge, scherp-spitsich-yser, schicht oft pyl sal gequetst hebben sonder open wonde, sal schuldich zijn de boete van thien ponden.
XVIII
Maer ist dat yemandt den anderen met een gepunt-mes, dagge, scherp-spitsich-yser, schicht oft pyl, sal tot een open wonde gequetst hebben, sal schuldich zijn de boete van twintich ponden.
XIX
Ist dat yemandt sal geweygert hebben versoeninge te geven, soo dickwils als hy se geweygert sal hebben te geven, sal so dickwils schuldich zijn de boete van thien ponden.
XX
Ist dat yemandt den scheyds-pael sal hebben uytgetrocken, sal schuldich zijn de boete van t' sestich schellingen.
XXI
Ist dat yemandt beeste, de welcke voor aengedaene schade aengehouden wiert, een ander sal afgehaelt hebben, sal schuldich zijn de boete van t' sestich schellingen.
XXII
Ist dat yemandt aengeslagen goederen, sonder de toelatinghe van de eygenaers sal wech genomen hebben, sal schuldich zijn de boete van t' sestich schellingen.
XXIII
Ende is te weten, dat de Schepenen van 't gemelde Dorp van Baserode S. Amandts macht hebben om wet ende recht te spreken, voor soo veel sy wijs zijn, van 't Hooch ende Leech, over alle geval, tot de t' samen-sweeringe van den Meyer van 't gemelde Dorp, oft van hem die van rechts wegen macht heeft om haer te besweeren.
XXIV
Dan ist dat de voorseyde Schepenen over eenich geval besworen niet en sullen geweten hebben recht ende wet te spreken, de Schepenen moeten gaen tot onderrechtinge tot de Schepenen van 't Landt van Aelst, ende al wat de voorseyde Schepenen van Aelst aende Schepenen van Baserode S. Amandts voor recht ende wet op de versochte saecken sullen gegeven hebben, dat moeten sy over dragen tot 't gemelde Dorp van Baserode S. Amandts, ende voor 't recht ende wet uytspreken voor den Heere van 't selve Dorp voorseyt, oft synen sekeren bode daer tot van rechts-wegen bysonderlijck gestelt.
XXV
Ende op dat alle de voorseyde dingen inder eeuwigheyt vast ende onverbrekelijck blijven, hebben wy goet geacht de tegenwoordige letteren met 't aenhangen van onse Zegelen te bevestigen, gegeven inden iaere 1266 inde Maent van October. De gehouden opschryvinge van desen woorde hebben wy toegestemt, gegeven als boven.
Bron, Maestertius Jacobus, Beschryvinge vande Stadt en Landt van Dendermonde, Mitsgaders de costumen statuten ende Usantien, Universiteit Gent, blz 132/138